27 februari 1987, jaargang 31, nummer 8
Artikel 010591
Hoedemaker en de Doleantie (3) Hoedemaker en de belijdenis J.C. Schaeffer We zagen de vorige' week, dat Hoedemaker van mening was, dat de ethischen zich te weinig aan de belijdenis gelegen lieten useen. Maar de manier waarop dat Gereformeerden met de belijdenis 'omsprongen, stuitte hem ook tegen de borst. Hoedemaker heeft er altijd moeite mee gehad om de belijdenis op te leggen als de officieel erkende leer: In dit opzicht is hij aan de ethischen verwant gebleven. De grote vraag, waar ook hij mee geworsteld heeft, hoe breng je en zieke kerk weer terug tot de gezonde gereformeerde leer? Maar hl} zag geen heil in de oplossing van Kuyper c.s., die de belijdenis weer in ere wilden herstellen als akkoord van kerkelijk samenleven.

In zijn brochure "De roeping der Gereformeerden in de Hervormde Kerk" uit het jaar 1888, noemde hij als dwaling der dolerenden: "Zij bestaat hierin. dat men de belijdenis (ook voor ons in de drie Formulieren van eenigheid begrepen)" die niets dan de tijdelijke uitdrukking is van de waarheid, die de Kerk' van Christus in den loop der eeuwen; door de onderwijzing des Heiligen Geestes, uit her Woord van God heeft geleerd, als iets zelfstandigs gaat beschouwen, d.i. haar onafhankelijk maakt van dat Woord van de Kerk, waaruit zii geboren werd, waardoor zij gedragen wordt en waarvan zij volstrekt onafscheidelijk is. Zij bestaat hierin, dat men eene beschouwing van de belijdenis heeft, waarbij men niet uitgaat van Art. VII (Ned. Geloofsbelijdenis), maar van het juridisch begrip, waarbij zij, hetzij als wet of reglement, hetzij als accoord of contract wordt aangemerkt," 1) , Zoals de synodale besturen van hun reglement een belijdenis maakten, rnaakten volgens Hoedemaker de Gereformeerden à la Kuyper van, hun belijdenis een reglement. Maar zo kon en mocht je z.i. de belijdenis niet hanteren. Op die manier komt de christelijke vrijheid in gedrang. Hoedemaker wilde andersdenkenden niet 'overweldigen,' maar overreden. Hij wilde de scharen niet als onmondigen meeslepen, maar als vnje persoonlijkheden overtuigen. De Gereformeerden verloren volgens Hoedemaker teveel uit het oog dat de Kerk in een lang proces (en mee door eigen schuld van de Gereformeerden!) , ziek was geworden. En dan kun je zomaar niet ineens de belijdenis weer, in eer herstellen alsof de kerk gezond zou zijn: "In eene kranke Kerk leeft men niet uit en in de belijdenis. Het baat niet of men haar opnieuw oplegt, ondertekent. aanvaardt. Dat kan huichelaars maken, dienaars van den vorm, zelfbedrog voeden, maar het geneest niet", aldus Hoedemaker in dereeds genoemde brochure uit 18 8.2 En: "Wij verwachten heil, niet van eene formule, maar van de kerk, die belijdt; niet hééft beleden, niet eene rechtsgeldige belijdenis bezit, maar belijdt". 3)

Werkelijk verschil
Dit verschil in opvatting is uiteindelijk één van de breekpunten tussen Hoedemaker en de dolerenden geworden. En dat is zonder meer een verdrietige zaak te noemen. Want het is de vraag of Hoedemakers gedachten op dit punt inderdaad onverenigbaar zijn met die van Kuyper c.s. Dr R. H. Bremmer meent m.i. terecht, dat Hoedemakeren de dolerenden in 'deze kwestie langs elkaar heen geredeneerd hebben. De laatsten wilden eerherstel voor de belijdenis als akkoord van kerkelijke gemeenschap om de zuiverheid van de evangelieverkondiging te bewaren en veilig te stellen. Maar, het was juist dezelfde zorg voor de zuiverheid van de evangelieverkondiging, die bij Hoedemaker leidde tot de vrees voor de, hantering van de belijdenis als zo'n akkoord. Hij was bang voor verstarring, doordat de ,drie Formulieren van het levende Woord zouden worden losgekoppeld. En hij vreesde, dat de actuele vragen, waarvoor de ethischen en de modernen de Kerk stelden, niet meer beantwoord zouden kunnen worden. Ontegenzeggelijk ging het beide partijen om de handhaving van het Woord van God. Het is daarom uitermate Jammer, dat men elkaar hierin niet heeft kunnen vinden. 4)

Revisie van de beljjdenis?
Ook in nog een ander opzicht bleek het verschil in taxatie van de belijdenis. In de vorige eeuw is er ook binnen de orthodoxie een hele discussie geweest, of de, 'drie Formulieren van enigheid nog wel zonder meer als belijdenis te handhaven waren. Tegenover een Groen van Prinsterer, die een onbekrompen ,en ondubbelzinnige handhaving voor stond, stelde zich een Da Costa, die pleitte voor, een 'verse Belijdenis. In deze discussie stelde Hoedemaker zich 'duidelijk op het laatste standpunt.
Hij zag de belijdenis als de historische grondslag van de kerk, maar ide moest z.i, .wel dringend worden herzien.
Het' is bijzonder' interessant om een overzicht van deze discussie te lezen bij Nauta. 5) Daaruit wordt m.i. in elk geval duidelijk, dat een pleidooi voor herziening van de belijdenis allerminst een bewijs voor onrechtzinnigheid behoeft te zijn. Hoedemaker over de Kerk Behalve op het punt van de taxatie en de hantering van de belijdenis, verschilde Hoedemaker ook van de dolerenden in zijn kerkopvatting. Eén van de meest opvallende kenmerken van deze opvatting is, dat hij de Nederlands Hervormde Kerk als een éénheid ziet", waarbinnen de plaatselijke. gemeenten geen enkele, autonomie bezitten. De Kerk is allereerst landskerk of volkskerk. Hoedemaker beriep zich hiervoor o.a. op de woorden uit Christus zendingsbevel: "maak. al de volken tot mijn discipelen". De plaatselijke kerken dragen ook wel alle wezenskenmerken van de Kerk als lichaam van Christus. Maar ze zijn organisch en niet confederatief! - verbonden tot de ene landskerk, d.i. de openbaring van het lichaam van Christus voor een bepaald land. Interessant is de weergave van Hoedemakers kerkbeschouwing door Christus voor een bepaald land. Prof. J. Kamphuis, en zijn kritiek daarop. 6) Hoedemaker noemt de Kerk bij voor- keur het lichaam van Christus, waarvan Hij het Hoofd is. Hij maakt een merkwaardig onderscheid tussen het Koninkrijk van God en de Kerk. Volgens Hoedemaker is het door Johannes de Doper aangekondigde en' gepredikte Koninkrijk van God ondergegaan, toen de Joden en masse de Messias verwierpen. Toen werd uit het oude iets nieuws geboren: de gemeente.
Maar binnen de gemeente is niet langr sprake van de verhouding Koning-onderdanen, maar, van het Hoofd tot zijn leden. Christus mag daarom niet, zoals Kuyper dat zo graag doet, de Koning van de Kerk worden genoemd. Want dan haal je Kerk en Koninkrijk door elkaar.

Kerk als dienstknechtsgestaIte van Christus
Hoedemaker ziet Christus en de Kerk als een natuurlijke, organische levenseenheid: een God menselijk lichaam!
Zo kan hij ook spreken van de Kerk als Christus in dienstknechtgestalte of lijdensgestalte. 7) Hiermee hangt samen, dat ontaarding en verval als noodzakelijk gezien, moeten worden. Dat is zogezegd het kruis, dat de Kerk als lijdensgestalte van haar Hoofd te dragen heeft: Vandaar dat het lijden van de kerk aan modernistische verwondingen door Hoedemaker kan worden gezien als een weliswaar pijnlijk, maar toch onontkoombaar onderdeel van de ontwikkeling, die de Hervormde Kerk moet doormaken.
Hoedemaker had er echter geen oog voor, dat de verhouding hoofd-lichaam beslist niet alleen organisch zijn bedoeld. Hook! kan ook uitdrukking van heerschappij zijn. En dan zijn Hoofd en Koning begrippen, die elkaar vrijwel dekken. Tegenover het Doleantie-kerkrecht Het is duidelijk, dat Hoedemaker vanuit zijn romantisch-organische opvatting van de Kerk geen' antenne had voor het Doleantie-kerkrecht, dat juist de zelfstandigheid van de plaatselijke kerken hoog in het vaandel had geschreven.
Hij had er dan ook grote moeite mee, dat men op een conferentie van kerkenraadsleden in 1883 te Amsterdam besloot zo nodig, als dolerende kerken op te treden. Hoedemaker kon de dolerenden niet anders zien dan als independentisten, voor wie de Kerk een vereniging van individuen, hoogstens van autonome plaatselijke kerken is. Hij verweet hen, dat zij het organisme van de ene Kerk poogden op te lossen in onderdelen, om daarna eigenmachtig de stukken weer in elkaar te passen. Zulke kerkrechtelijke ideeën typeerde hij als mechanisch tegenover zijn eigen organische opvatting. In de Doleantie-praktijken van het plaatselijk en soms zelfs individuele afwerpen van het synodale juk meende hij het beginsel van anarchisme en nihilisme op kerkelijk gebied te onderkennen.

Misverstand?
Kamphuis acht het niet onmogelijk, dat Hoedemakers grote vrees voor het independisme is te wijten aan de ervaringen uit zijn jeugd met het kerktype van H. P. Scholte. Deze was immers, zoals bekend, een warm voorstander van een vrije gemeente. Daardoor zou Hoedemaker elk spreken over de autonomie van de plaatselijke gemeente alleen maar in dat licht hebben kunnen zien. Bremmer meent overigens, dat ook op dit punt Hoedemaker een zeker gelijk toch Oliet te ontzeggen valt. Laat het gebruik van de term 'organisch' mogelijk niet zo gelukkig en voor misverstand vatbaar zijn, valt daarmee volledig de waarheid, die hij verdedigde?
Het kerkverband is toch inderdaad meer dan de loutere som van de samenstellende, delen? Bremmer wijst er op, dat ook een man als Bavinck de universele kerk (en dan kan ook gedacht worden aan de landskerk) aan de plaatselitke vooraf laat gaan. 8)

Noten
1) J. Schokking e.a.iDr. Ph. J.Hoede. maker 1868-1908, Gedenkboek ter gelegenheid van zijn 40-jarige ambtsbediening, Leiden 1908, blz. 77 v.
2) G. Ph. Scheefs, Philippus Jacobus Hoedemaker. Wageningen 1939, blz. 206.
3) idem.
4) R. H, Bremmer, Kuyper, Hoedemaker en de Doleantie, Apeldoorn 1986, blz. 92v.
5) D. Nauta, De verbindende kracht van de"belijdenisschriften, Kampen 1969.
6) J. Kamphuis, Op zoek naar de belijdende volkskerk, Groningen 1967.
7) Kamphuis ziet hier een verband met het denken van de Duitse romantische kerkhistoricus von Hase. Van hem is de uitspraak:. "Die Kirche istein stetes Werden, d.h. ein Streben darnach, der in der Menschheit fórtlebende Christus zu sein", Kamphuis, a.w., blz. 50.
S) Bremmer, a.w., blz. 93.
2007-2014 Persvereniging Opbouw