9 november 1979, jaargang 23, nummer 42
Artikel 015213
EX LIBRIS Spiegelbeelden T. Hoekstra In een maand tijd, tussen 30 december 1937 en 2 februari 1938, schreef Willem de Mérode zijn laatste gedichten. Het waren er 71. Daarvan heeft hij er nog 40 geselecteerd en overgeschreven in een schrift waarop hij de titel: "Spiegelbeelden" zette. Deze gedichten zijn nu voor het eerst als bundel uitgegeven bij Elsevier.
Hans Werkman heeft er een nawoord bij geschreven. Ik meen er goed aan te doen u op deze bundel attent te maken.

Laat ik Hans Werkman citeren: "De Mérode staat te boek als de belangrijkste protestantse dichter van Nederland uit de periode tussen de beide wereldoorlogen. Ook dat beeld staat in "Spiegelbeelden" recht overeind. Het begrip "protestants dichter" heeft bij hem niets te maken met zoete stichtelijkheid. Wel maakt hij, ook in "Spiegelbeelden", tijdens en na de rondgang langs zijn beeldengalerij, duidelijk wat het geloof voor hem inhoudt. Al zijn figuren en figuranten laat hij uiteindelijk samenkomen op Golgotha."
Vermoedelijk bestaat er in de kring van Opbouwlezers wel interesse voor dit werk van De Mérode. Toch wil ik erop wijzen dat het afwijkt van wat men in het algemeen van hem gewend is. De dominee wil tijdens een preek nog wel eens een gedicht uit zijn vroegere bundels voorlezen, maar ik denk dat
uit déze bundel alleen het laatste gedicht in aanmerking komt:

Oudejaarsnacht

Er is geen nacht zo eindeloos en zwart
als deze tussen 't oude en nieuwe jaar.
Er is gefladder van een grote schaar
demonen, die gaan lachen bij elk hart
dat nu zijn handel met God af wil sluiten,
liefst met een goed en klinkend batig slot.
't Oudejaarsgebed stelt hem wel buiten schot,
die een jaar lang de hemel uit dorst buiten .

Geen klokgelui, geen zuchten en geen eden,
geen nachtdienst en geen dierbare gebeden
verwerven ons een zweem van Gods gena.

De moordenaar, de dief en de hoereerder,
de dronkaard, lasteraar en valse zweerder
vinden kermende Hem op Golgotha.

Daarmee heb ik niet gezegd dat ik dit gedicht het mooiste vind. Persoonlijk spreken-mij meer de gedichten aan waarin De Mérode ons iets laat zien van de mensen om ons heen: De krankzinnige, de dove vrouw, de dominee, de oude jongeman, de baker. Hun tekort, hun "afwijking", is in eenvoudige woorden éven aangeraakt en juist daardoor zijn die gedichten het meest treffend. Dat hier mijn persoónlijke smaak een belangrijk woordje meespreekt, zal duidelijk zijn.
Het hierboven afgedrukte gedicht doet ook nogal ouderwets aan, woordkeus en beeldspraak zijn niet bepaald origineel; daar staat natuurlijk tegenover dat de grondgedachte in het gedicht van levensbelang is, in de dubbele zin van het woord. Tóch heb ik altijd verre de voorkeur gegeven aan de gedichten van Geerten Gossaert, de protestantse dichter bij uitstek, die evenwel in onze kringen veel te weinig is gewaardeerd, waarschijnlijk ook door zijn hogere graad van moeilijkheid.
Tot besluit wil ik nog één gedicht uit "Spiegelbeelden"
overnemen:

De oude jongeman

Hij weet 't niet, maar is één der onbegeerden,
die egoïstisch worden en jaloers.
Ze suggereren dat hen niets ontbeerde,
en zijn verlegen, links en lichtelijk boers.

Hij stopt zich vol met kool en wienerschnitzel,
en drinkt zijn kop niet rozig, maar grauwblauw.
Hij was ook graag iets anders dan 't afgietsel
van opgekookte jeugd, maar ampel lauw.

Hij kleedt zich graag in iets te jonge kleren,
gebruikt een sterk parfum en veel te veel,
staat dichtbij, maar behoort niet tot de heren.

Bij elke glimlach klopt 't hart in zijn keel,
en dan ontdekt hij dat die lach niet hem geldt,
maar de naast hem gaande gentleman.

De liefhebbers van De Mérode weten nu dat er een bundel "nagelaten werk" is verschenen.
Dit rubriekje is immers ook bedoeld om informatie te geven. Dat anderen, die niet als bij uitstek protestantse dichters te boek staan, werk van hogere kwaliteit hebben geleverd, is een zaak die op dit moment niet aan de orde is.
2007-2014 Persvereniging Opbouw