9 februari 2013, jaargang 57, nummer 3
Artikel 018299
Machiel en Hillie Vermeulen: ingelijfd in Israël ‘Jouw God, mijn God, onze God’ Jordi Kooiman Geboren en getogen in Etten-Leur, maar in de armen gesloten in Israël. Het verhaal van Machiel en Hillie Vermeulen is een verhaal van grote liefde voor Gods uitverkoren volk. ‘We zijn letterlijk en figuurlijk in Israël ingelijfd. Het is ons vaderland geworden.’

Machiel en Hillie Vermeulen: ‘We werden langzamerhand in Israël ingelijfd. Letterlijk en figuurlijk. Het werd ons vaderland.’ (foto Jordi Kooiman)
De Brabantse gemeente Etten-Leur heeft niks te maken met Israël. Wie echter na zonsondergang het dorp uitrijdt – richting het oosten, het platteland op – kan bij helder weer een davidster zien oplichten, hoog in de lucht. De ster, inmiddels een vertrouwd symbool voor de bewoners in de omgeving, staat op een hoge paal in de tuin van Machiel en Hillie Vermeulen.
Als een vaandel dat iedere dag bij het vallen van het donker getuigt van de onlosmakelijke band die de familie met Israël heeft.
Hillie groeide op in dit huis, Machiel woonde een kilometer verderop. Ze kennen elkaar van jongs af aan, aangezien hun families de enige protestantse families in de omgeving waren. Hillie was bevriend met de zussen van Machiel en ‘de hele club’ ging dagelijks samen naar een protestantse basisschool in Breda. Toen ze verkering kregen, was dat in het begin dan ook wat vreemd. Iedereen trok immers al jaren met elkaar op. ‘Maar ik begin er nu aan te wennen’, lacht Machiel.
Nadat het stel trouwde, gingen ze op ‘de Leur’ wonen (Etten-Leur was toen nog niet samengevoegd) en inmiddels zijn ze weer terug in het ouderlijk huis van Hillie. Hun zoon Joram verhuist binnenkort naar Etten-Leur en hun dochter Naomi woont in Breda.
Het klinkt als een normale levensloop van een normaal Hollands echtpaar.
Dat is het echter niet. Tussen hun huwelijk en hun terugkeer in Hillie’s ouderlijk huis in is veel gebeurd. Heel veel.

Pioniers
‘Mijn vader was een echte Johannes de Heer-man’, vertelt Machiel. ‘Israël was een thema dat heel erg leefde in ons gezin. En ook bij andere christenen trouwens. Ik ben betrokken bij de NGK Rijsbergen. Vanuit die gemeente zijn vroeger vier gezinnen naar Israël vertrokken. Maar nu speelt het onderwerp voor mijn gevoel veel minder. In de Christelijke Gereformeerde Kerken is het zeker nog een item, maar in de NGK niet meer. In Rijsbergen zijn er bijvoorbeeld nog maar heel weinig mensen die in Israël zijn geweest. Dat is jammer.’
Bij Machiel en Hillie vervaagde de verbondenheid met Israël nooit. Waar dat sterke gevoel vandaan komt? ‘Bij mij is dat wel vanuit mijn geloof gemotiveerd’, zegt Machiel. ‘Ik hoop natuurlijk op de vervulling van Gods belofte.
Maar dat niet alleen, want die motivatie is ook erg op onszelf als christenen gericht. Ik denk dat we Israël ook los van die belofte moeten steunen. God heeft hen uitgekozen, dat geef mij de morele verplichting om hen te steunen.
Je mag wel kritisch zijn, maar je mag niet veroordelen. Onze steun is onvoorwaardelijk, en dat blijft zo.’ Die steun deed Machiel en Hillie er in 1975 toe besluiten om samen met hun vierjarige zoontje Jonatan naar Israël te gaan, om vier jaar lang in de werk- een leefgemeenschap Nes Ammim te gaan wonen en werken. Machiel was timmerman en dat konden ze daar prima gebruiken.
Het was net na de Jom Kippoeroorlog en Nes Ammim, in 1963 opgericht, zat nog in de opbouwfase. Het doel van de gemeenschap was om contacten op te bouwen met de Joden en vanuit een soort ‘plaatsvervangend schuldbesef’ te laten zien dat christenen ook met iets anders dan kruistochten en uitroeiing geassocieerd konden worden.
‘Wij waren pioniers’, vertelt Machiel.
‘Christenen werden in die tijd argwanend beschouwd door de Joden.
We waren bijna paria’s. Het was niet denkbaar dat men contact had met christenen. Wij wilden laten zien dat christenen ook dienstbaar kunnen zijn aan Israël.’ Het was een erg goede tijd. Machiel en Hillie leerden veel over het christendom (‘eigenlijk meer dan over het jodendom’) en begonnen van het land te houden. Ook los van hun christelijke roots. ‘Het land verveelt nooit’, vertelt Hillie. ‘De natuur is zo afwisselend. De groene velden, de bloemen, de woestijn.’ ‘We werden langzamerhand in Israël ingelijfd’, vult Machiel aan. ‘Letterlijk en figuurlijk. Het werd ons vaderland.’

Tweede bom
Na de eerste vier jaar in Nes Ammim besloten Machiel en Hillie te blijven.
Ze woonden nog vier jaar in de gemeenschap en verhuisden toen naar Nahariya, de noordelijkste kuststad van Israël, vlak bij de Libanese grens.
Het stadje werd gesticht door Duitse Joden en telt zo’n 45.000 inwoners.
‘Een beetje zoals Etten-Leur’, lacht Hillie.
Machiel begon zijn eigen bedrijf. ‘Het was heel hard werken, maar ik genoot van de sociale kant van het leven daar.
Het is zo’n boeiend land, met zo’n boeiende bevolking. Alleen van de hitte in de zomer hield ik niet.’ Hun zoon Jonatan groeide praktisch in Israël op en voegde zich toen hij oud genoeg was bij het Israëlische leger. Machiel en Hillie woonden toen al achttien jaar in Israël en besloten terug te keren naar Etten-Leur. Dat geheel om praktische redenen. Omdat Machiel niet in het leger had gediend en geen Jood is, was het moeilijk om zaken als een hypotheek en studiebeurzen voor de kinderen te regelen.
Terwijl Machiel en Hillie zich met hun kinderen Joram en Naomi weer vestigden in hun geboortedorp Etten-
Leur, bleef Jonatan achter om zijn dienstplicht af te maken. En door de verandering van de status van de familie – permanente in plaats van tijdelijke inwoners – kon hij na zijn dienstplicht de baan krijgen die hij al een paar jaar lang graag wilde hebben: werken in een antiterreureenheid. Hij werd daar in 1996 toegelaten en werd na twee jaar in een eenheid van de grenspolitie in de Gazastrook geplaatst.

Op 28 december 2000 werd Jonatan opgeroepen om een bom te ontmantelen bij de Sufa-grensovergang van de Gazastrook. Samen met de Ethiopische Jood Gad Marasha zette hij zich aan het karwei toen terroristen vlakbij een tweede bom lieten afgaan. Jonatan was op slag dood.
De tragedie maakte veel los in Israël en werd breed uitgemeten in de kranten.
Jonatan was het veertigste slachtoffer van de Tweede Intifada, maar tegelijk was hij ‘het lichtpunt dat Israël nodig had’, zegt Machiel, die nog altijd een brok in zijn keel krijgt als hij erover praat. ‘Israël voelde zich alleen, geïsoleerd.
Iedereen leek zich tegen hen te keren. Maar toen zagen ze dat een gewone Nederlandse, christelijke jongen zijn leven gaf voor de verdediging van het land. Dat gaf een besef dat ze tóch niet alleen waren.’

Bos
Na de dood van hun zoon werd een andere bladzijde in hun band met Israël geopend, zo omschrijft Machiel.
Ze dachten het land en de mensen te kennen en ze dachten erbij te horen, maar kwamen erachter dat ze op bepaalde gebieden toch nog een buitenstaander waren. Waren, want na Jonatans overlijden veranderde alles.
‘Toen voelden we wat de Joden zelf voelden’, vertelt Hillie. ‘Heel veel mensen kwamen naar ons toe en vertelden over familieleden die zij zelf verloren hadden. We werden ook overal bij betrokken. We werden meegenomen naar de politieschool en de verschillende opleidingen waar Jonatan had gezeten. Echt alles kregen we te zien.
We voelden ons nog minder een buitenstaander.’ Machiel herinnert zich dat tijdens de steenlegging – een belangrijke gebeurtenis in Israël, ongeveer een maand na de begrafenis – iemand van een religieuze school uit Jeruzalem een verhaal kwam vertellen. ‘Hij zei: “Jouw God, mijn God, onze God.” Dat was een hele mooie erkenning.’ Jonatans naam wordt inmiddels op twaalf plaatsen in Israël vermeld en hij heeft een eigen stuk bos gekregen, met uitzicht op de Gazastrook. Daar staat ook een monument waar zijn verhaal verteld wordt, in het Hebreeuws en in het Nederlands. Machiel denkt dat het het enige monument in Israël is met Nederlandse tekst. Onderaan de tekst staat: Zijn verbondenheid en liefde voor het Volk en Land Israël zal voor altijd in herinnering blijven.’

Thuis
Ieder jaar gaan Machiel, Hillie en hun kinderen Joram en Naomi nog terug naar Israël voor de herdenking. ‘Ik ben al dertien jaar niet meer in Nederland geweest met kerst’, zegt Machiel. En Hillie vult aan: ‘Oudejaarsavond is niks voor ons. Dat vieren we niet meer.’ Behalve in december zijn Machiel en Hillie nog veel vaker in Israël te vinden.
Soms een paar maanden lang, soms een paar weken. Meestal gaan ze naar Nahariya, maar ze hebben ook op vele andere plekken adresjes om te verblijven. ‘Als we daar komen, zijn we thuis. En als we hier komen, zijn we thuis’, zegt Hillie. ‘Daar hebben we vrienden en kennissen en hier hebben we familie en vrienden.’ De band is inmiddels zo sterk dat het echtpaar niet terugschrikt voor oorlogen.
Toen Hillie een paar jaar geleden bij een goede vriendin in Israël was, begonnen net de eerste bommen van de Israëlisch-Libanese Oorlog te vallen.
‘Mijn vriendin vroeg waarom ik niet weer terug ging. Maar ik zei: je bent toch een echte vriendin? Waarom zou ik dan weggaan? Je bent er toch om je vrienden te steunen? Als er in Etten-Leur iets zou gebeuren, ga ik toch ook niet weg?’

Zwart-wit
Machiel en Hillie hebben vaak met Joden gesproken over hun christenzijn.
‘Iedere keer moesten we weer verklaren waarom we daar woonden en niet in Amsterdam’, vertelt Machiel.
‘Maar wantrouwen is er niet meer tegenover ons. Wel tegenover de kerk en mensen die komen evangeliseren.’ Ook als Machiel nu weer terug is in Israël, belandt hij vaak in theologische gesprekken. Zo was hij afgelopen winter met een paar vrienden in de Negevwoestijn.
‘Zij zeiden: “Jullie hebben drie goden, toch?” Op zulke momenten ben ik niet blij met sommige van onze formuleringen, zoals rond de drieeenheid.
Dat woord zou je gewoon niet moeten gebruiken, want dat scheidt een Jood en een christen. Maar verder hebben we veel gemeen.’ Andersom hebben ze in Nederland veel minder gesprekken over Israël.
Het is alsof het thema niet meer zo leeft onder veel christenen. En als ze erover praten, is het te vaak op een kortzichtige manier. Dat steekt Machiel en Hillie. ‘Er wordt hier vaak zo zwart-wit over Israël gesproken’, zegt Hillie. ‘Eén van onze beste vrienden is een Arabier. En hij is getrouwd met een Joodse.’ Machiel: ‘Ik sprak eens met een journalist die het had over dé Palestijnen.
Maar wie zijn dat? Ik kan zo zes, zeven groepen Palestijnen opnoemen die elkaar zouden afmaken. Dé Palestijn bestaat niet, net als dé moslims of dé Marokkanen. Qua mensen gaat het in Israël juist goed samen. Toen ik mijn eigen bedrijf had, was 90 procent van mijn werknemers Palestijns. Het was goed in die tijd. Onze zoon Jonatan was zelfs op zoek naar een alternatief voor zijn werk, omdat er niks meer te doen was. Er was vrede. Tot de Tweede Intifada begon. Aan beide kanten zijn fouten gemaakt. En nu, nu is het weer hetzelfde als zestig jaar geleden. Het enige grote verschil is dat er aan beide kanten extremisten zijn, maar dat ze in Israël gevangen zitten en bij de Palestijnen dikwijls in de regering.’

Als er iets is wat Machiel mee zou willen geven aan christenen in Nederland, dan is het dat ze kritisch maar eerlijk de situatie in Israël zouden moeten volgen. ‘Je zou je ook eens kunnen voorstellen hoe je zelf zou reageren als terugtrekking uit bezette gebieden alleen gevolgd wordt door raketten op de burgerbevolking’, zegt hij. ‘Het is goed de situatie kritisch te volgen, maar ik vind het kwalijk dat we veel te weinig kritisch zijn over de vaak niet geverifieerde berichtgeving van wat daar gebeurt. Als christen moet je twee keer nadenken voor je Israël veroordeelt.’

Jordi Kooiman is zelfstandig journalist en eindredacteur van Opbouw.
2007-2014 Persvereniging Opbouw