7 oktober 2005, jaargang 49, nummer 19
Artikel 002037
50 jaar Open Doors P. van Kampen Stichting ‘Open Doors’ te Ermelo herdenkt op zaterdag 8 oktober haar 50-jarig bestaan. Zo'n 6000 mensen worden dan in de Zwolse IJsselhallen verwacht.
Maar kun je wel onverkort iets ‘vieren’, als het gaat om zoiets ernstigs als vervolging van geloofsgenoten?
En als je beseft dat zulke discriminatie en vervolging ook nu wereldwijd eerder toeneemt dan minder wordt? Ik stel die vraag aan oprichter Anne v.d. Bijl, inmiddels een (uitermate actieve) 77-jarige die nog veel rondreist om mensen te bemoedigen.

‘Ik denk bij die vraag: wat zou er zijn gebeurd, als we het NIET hadden gedaan? Dan was stellig de situatie voor veel broers en zussen in de wereld nog veel ernstiger en moeizamer geweest. Wat zouden zij aan moeten, als er nergens in de wereld mensen voor hen hadden gebeden en actief hen in hun situatie waren bijgesprongen?
Ik meen dat het daarom goed is dat we dit werk hebben opgepakt. Het is zeer gezegend.
Tegelijk denk ik ook: als we nu eens veel méér hadden gedaan dan nu is gebeurd? Welk verschil zou dat hebben gemaakt? We wilden altijd heel geestelijk met onze taak en verantwoordelijkheid omgaan, en hebben nooit politieke doelen willen nastreven.
Daar sta ik nog steeds achter.
Maar tegelijk vermoed ik dat ook regeringen meer hadden kunnen doen, als meer christenen dit werk breder hadden gesteund. Daar komt nog wat bij: wij hebben door hen te steunen, de zaak van Gods tegenstander( s) verzwakt en dat komt ook ons, christenen in de zogenaamde vrije wereld, ten goede. Want hun vijanden willen ook ons bedreigen. De zaak van onze vervolgde en gediscrimineerde broeders en zusters is echt ook geheel de onze.

Nog een ding: heeft het ons wel zoveel gekost? Het penningske van de weduwe daargelaten, hebben we met elkaar er toch heel weinig voor hoeven laten staan! We hebben toch uit onze overvloed gegeven! Maar dat veelal ook met vreugde gedaan. En velen zijn er zelf door verrijkt. Veel mensen zijn, ook als vrijwilligers, betrokken geraakt en hebben ook voor zichzelf vaak bijzondere ervaringen opgedaan. Daar is veel reden tot dankbaarheid aan de Heer!’ Het belangrijkste vind ik zelf: Wij hebben gesproken voor hen die niet zelf konden spreken! Als ik of mijn medewerkers ergens waren, zei men geregeld: “Hoor hoe onze situatie is, want hoe kun je gericht voor ons bidden, als je dat niet weet?” Dat was onze belangrijkste bediening, die later gelukkig ook door anderen is gezien en nagevolgd.’

Op mijn vraag wat hem persoonlijk het meest heeft geraakt al die jaren, blijft het even stil. Dan zegt hij: ’Een ervaring toen ik net de Heer had leren kennen en toen ik graag de zending in wilde. Ik heb toen met twee wijze vrome godsmannen contact gehad en hen bezocht. Een van hen was de zendeling van de Weg, die in Indonesië had gewerkt. Hij zei: “Misschien moet jij wel naar Nieuw- Guinea! Misschien is juist dat de plek waar je de verleidingen van de Boze kunt weerstaan. Misschien alleen daar!” Daar denk ik wel eens aan.
Misschien was elke andere plaats voor mij wel doodgevaarlijk geweest, geestelijk gesproken. Maar om terug te komen op je vraag: Wat hebben wij eigenlijk gedaan? Is er iets dat te vergelijken valt met het offer op Golgotha?’

Pieter van Kampen
2007-2014 Persvereniging Opbouw