24 november 2006, jaargang 50, nummer 23
Artikel 002341
Column Een lesje van de imam J. Westerkamp Ik doe intakes. Dat wil zeggen: ik vraag de nieuwe bewoners van een afdeling cellen in het Huis van bewaring of ze geestelijke verzorging willen en wat dan? De pastor, de dominee, de imam de humanist? Wim wil een luisterend oor, geeft niet van welke levensovertuiging als het maar luistert. ‘Wat bent u? Dominee? Doe mij dan maar dominee.’ Ik hoor zijn verhaal. Verhalen willen er uit zodra mensen vast zitten. En warempel, hij is nog Nederlands Hervormd ook, vertelt hij ineens. ‘Ik doe er niks voor, maar dan ben je het toch wel?’

Dan zoek ik de nieuwe bewoner van cel 30. ‘Daar staat hij.’ wijst de bewaker. Een man met een door donker haar omlijst gezicht staat over de stofzuiger gebogen. Ik loop naar hem toe en steek een uitnodigende hand en een uitnodigend woord uit. ‘Hallo, ik ben van de geestelijke verzorging.’ De man schiet geschrokken overeind, trekt zijn hand tegen zich aan. Instinctief doe ik mijn handen achter mijn rug.
‘O sorry’, zeg ik . Maar dan man put zich uit in verontschuldigingen. Zijn lichaam buigt, zijn handen verontschuldigen, zijn mond zegt van alles waaruit ik alleen ‘respect’ kan verstaan.
‘Ik ben van de geestelijke verzorging’, zeg ik nog maar eens. ‘U bent waarschijnlijk moslim, niet? Zal ik uw naam opgeven bij de imam?’ ‘Ja, graag en sorry …respect.’ Ik heb de man de stuipen op het lijf gejaagd.
Ik ken de imam goed. We spreken elkaar regelmatig even en leggen elkaar ons geloof uit. Ik loop nu bij hem binnen om hem te wijzen op zijn nieuwe cliënt. En ik vertel hem hoe ik onbedoeld de man heb laten schrikken.
‘Ahaaa!’ lacht hij. ‘Ik heb die man al gezien toen hij vanmorgen binnen kwam. Ze lieten me roepen omdat hij een probleem had. Hij moest de dokter zien voor de intake en hij wist niet of hij de vrouwelijke dokter wel of niet een hand moest geven.’

De imam schudt zijn hoofd. ‘Nou?’ vraag ik.
De imam is echt een leraar. Als je iets vraagt, krijg je tekst en uitleg, meer dan je kunt begrijpen. ‘Het leven is meer dan de wetten’, zegt hij. ‘Een moslim mag geen alcohol drinken, maar stel je voor, je bent in de woestijn.
Er is geen water, er is alleen alcohol.
Alcohol is “haram”: vies, fout, maar als het een leven moet redden is het halal: goed, heilig. De moslim mag het drinken, móet het drinken om een leven te redden.’ ’Maar is dit van levensbelang, een dokter een hand geven?’ vraag ik.

‘Kijk.’ De imam klikt een paar teksten aan op de computer.
Prachtige lettertekens die geen enkele betekenis voor me hebben. ‘Dit is belangrijk. Stel je voor: Jij komt bij mij omdat je moslim wilt worden. Ja? Je komt binnen.’ ‘Goedemiddag’, zeg ik. ‘Ga zitten.’ (de imam wijst uitnodigend naar de stoel voor me) ‘Dan kom je naar me toe, toch? Dan geef je me een hand. Als ik dan mijn hand terug trek zo,’ (hij drukt zijn hand tegen zijn borst) ‘wat denk je dan?’ Hij wil een antwoord, zo onderwijst hij. ‘Ik denk,’ zeg ik, ‘dat de Islam toch niet voor mij is.’ ‘Juist!’ juicht de imam. ‘Is dat levensbelang?’

Ik lach. ‘Je zou zo’n goede christen evangelist zijn’, zeg ik. ‘Jij zou zo’n goede moslima zijn’, zegt hij. We menen het.

Jeannette Westerkamp
2007-2014 Persvereniging Opbouw