20 februari 2004, jaargang 48, nummer 4
Artikel 002547
Beproef de geesten Geestelijke smetvrees P. van Kampen Ongeveer 16 eeuwen geleden kreeg de beroemde bisschop kerkvader Augustinus een bezorgde brief van een hem tot dusverre onbekende medegelovige. De briefschrijver, Valerius Publicola, had een invloedrijke positie. Hij was senator in Rome en hoorde tot de bestuurselite van zijn tijd. Hij was Christen en een had een hele serie vragen voor Augustinus, die op aanzienlijke afstand in Hippo Regius aan de Noordafrikaanse kust woonde, en als vraagbaak voor de halve Latijn-sprekende christenheid fungeerde.

Eindeloos veel zorgen
De brief van deze Valerius is, meen ik, niet bewaard gebleven, maar uit Augustinus’ antwoord valt wel het nodige af te leiden over de inhoud.
Valerius’ zorgen betroffen voor een belangrijk deel zijn landerijen aan de zuidgrens van het rijk. Hoewel in het Romeinse Rijk een eeuw tevoren het christelijke geloof al als 'religio licita' (toegestaan geloof) aanvaard was, en de christelijke kerk gestaag aan invloed toenam, woonden er nog steeds veel heidenen. De geachte senator had er de nodige moeite mee, want hoe ga je goed om met de heidense religie van je medeburgers?
'Mogen beambten en reizigers een Barbaar bij diens goden (die toch demonen zijn) laten zweren, dat hij hun goederen eerlijk zal bewaken?
Mogen ze hem daarvoor met een goudstuk betalen?' De vraag klemde de goede briefschrijver kennelijk, want hij voegt eraan toe: 'Antwoord mij hierop definitief en zonder slag om de arm, anders raak ik nog erger in twijfel dan tevoren.' Dat was bepaald niet de enige vraag die Augustinus voorgelegd kreeg.
'Mag een christen willens en wetens iets eten van een dorsvloer of uit een wijnpersje waarin aan de demonen is geofferd? Mag hij hout halen uit een heilig bosje? Als hij vlees van de markt heeft meegebracht en hij twijfelt of het offervlees is, ja of nee, en hij denkt tenslotte: nee, en dat is zo, mag hij het dan eten? Als iemand eerst twijfelde of iets mocht of niet en later dacht dat het mag en hij doet het, is het dan zonde? Als iemand eerst zegt: ‘Het is offervlees!’ en later zegt hij: ‘Het is niet zo, ik heb gelogen’, mag een christen er dan van eten of het verkopen? Als een christen verdwaalt en, echt in gevaar van honger te sterven, in uiterste nood, in een verlaten tempeltje voedsel vindt, in een streek waar geen mens woont, mag hij dat dan eten of moet hij sterven?' 'Als hij aan een diner offervlees heeft geweigerd, maar hij krijgt het later bij toeval in de winkel of op een andere tafel voorgezet, en hij herkent het niet, doet hij dan zonde?' 'Mag je drinken uit een put waarin geplengd is? Of uit een bron in een verlaten tempel? En als er nog een afgodsbeeld staat, al gebeurt daar niets mee?' Er is een enorme stroom twijfelvragen: 'Mag een christen baden in een huisbad of openbaar bad waar nog geofferd wordt? Of baden, wanneer heidenen er op hun feesten baden, met of zonder hen?' Hij verwijst naar bijbelteksten, o.a. naar Deuteronomium 7 vers 26: 'En gij zult geen gruwel in uw huis brengen, zodat gijzelf evenzo onder de ban zoudt komen; gij zult het ten sterkste verfoeien en verafschuwen, want het ligt onder de ban.' Hij vraagt Augustinmus om commentaar en sluit af met: 'God hoede u, ik groet u, bid voor mij.' Ik volg de weergave van dat alles in het voortreffelijke boek van Frits vd Meer over ‘Augustinus (Augustinus de Zielzorger’, Een Studie over de Praktijk van een Zielzorger. Het Spectrum, Utrecht, 1947, pagina 141,142).

'Een geestelijk mens'
De goede senator verwijst bij dit alles uiteraard naar de uitspraak die de apostel Paulus bijna vier eeuwen tevoren gemaakt heeft over het eten van offervlees, in zijn eerste brief aan de christenen in het Griekse Korinthe, hoofdstuk 8. Ook Paulus spreekt over de afgoden als 'boze geesten', in het 10e hoofdstuk van dezelfde brief.
Senator Valerius Publicola beroept zich op de woorden van de apostel.
Hij is in dit alles een zeer toegewijd en 'geestelijk' mens, die weet heeft van de realiteit van het Kwade in het leven, die beseft dat er geestelijke strijd te voeren is en wil weten waar de frontlinie eigenlijk ligt bij zulke dagelijkse zaken als eten en drinken. Dat zijn heel legitieme vragen. En toch is er met deze vragen iets mis, zo niet theologisch, dan wel pyschologisch.
Mag je ooit deelnemen aan heidense feesten? Stel dat je daarmee eten binnen kan krijgen dat aan de goden gewijd is, wat moet je dan doen? Je eraan onttrekken? Of toch deelnemen?
Paulus geeft verstandig en nuchter advies, wat de kerkvader Augustinus navolgt. De toegewijde bekommerde christelijke senator slaat echter een beetje op hol. Bij iedere eventualiteit wil hij precies in kaart brengen waar de grenzen eigenlijk liggen en hoever hij dus mag gaan. Hij lijkt in ernstige mate te lijden aan kwalen die we onder het kopje 'geestelijke smetvrees' moeten brengen…

Laten afkoelen
Augustinus begint zijn beantwoording wat ironisch. 'Ik ben door uw brief al even heet geworden als u, niet omdat uw kwesties mij zo kwellen, maar omdat ik brand u ervan af te helpen. Wel, op een trouw bij demonen bezworen kunt u zich gerust verlaten; u steunt immers alleen op ‘s mans goede trouw, en de Schrift verbiedt wel te zweren, maar niet om eden af te nemen.
Vervolgens, een christen moet voorkomen dat er iets van koren of vruchten wordt geofferd, als hij kan – maar de rest is niet besmet. Wij snuiven toch ook lucht op, ook al steeg er offerrook in omhoog? Drinken toch ook uit een put waaruit geschept is voor een offer? U moet alleen zorgen, dat u niet de indruk wekt de goden te eren, dus zorgen dat u geen ergernis geeft. Wat spijzen betreft, u hoeft niet strenger te zijn dan Paulus die alleen het bewuste eten van offervlees verbood: immers 'de aarde en haar volheid is des Heren' en ook 'alle schepsel van God is goed'. Als wij al niet mogen eten uit een tempeltuin, hoe kon Paulus dan eten in Athene dat in haar geheel aan Minerva gewijd was? Genieten wij niet allen van de zon waaraan men niet ophoudt offers te brengen? Van een wind, die de offerrook als het ware opneemt en waaraan men ook al offert?' (de tekst is wat verkort en de spelling gemoderniseerd.)

Toch heel herkenbaar
Nu geloof ik dat wij in onze cultuur ons zelden afvragen of in een eethuis voedsel wordt voorgezet dat eerst aan de goden geofferd is. Die vraag klemt hier ook zelden, al zou je je dat in India of Nepal wel kunnen afvragen, of in onze samenleving, als bijvoorbeeld de Hare Krisjhna-beweging hier eethuisjes zou exploiteren. Ik herinner me daarover echter geen enkele discussie. In ietwat andere vorm duikt echter dezelfde soort vraag als de senator zo lang geleden stelde weer op, naar mijn waarneming vooral bij toegewijde vrouwen op het orthodoxevangelische circuit. 'Als ik aromatische kruiden in mijn bad leg, omdat ik niet wist dat gebruik daarvan samenhangt met praktijken en rituelen in andere, oosterse, religies, is dat dan ernstig? Heb ik dan kans op geestelijke besmetting?' 'Als ik zonder ‘t te beseffen New Age-muziek draai, die levensbeschouwelijke lading heeft, heeft dat invloed op mij?' 'Als ik Keltische muziek mooi vind en ik merk dat ik melodieën heb lopen neuriën die een tekst ondersteunen, waar ik, nu ik die beter bestudeer, concludeer dat die hartstikke heidens is! Mag ik zulke muziek wel blijven draaien? Wat zegt het over me, als ik die muziek eigenlijk nog steeds heel mooi vind?' Zulke vragen zijn helemaal niet achterhaald.
Het antwoord erop is lang niet altijd gemakkelijk te geven, maar wel is duidelijk dat ook 'psychologie' (als dat het goede woord is) meespeelt. Soms zijn mensen over-scrupuleus en 'bang', op een verkeerde manier. Het is uiteraard zeer belangrijk om het boze en het kwade te mijden; de bijbel is daar niet onduidelijk over. Als mensen echter voor van alles bang worden en het hun geestelijke spankracht en moed ondergraaft, moet je ook die werkelijkheid onderkennen.
Het is dan ook meestal het gezondst om bekommerde zielen gerust te stellen en te zeggen dat de Here God er ook nog is! We zullen ons ook in onze vrees moeten temperen. Waarachtige liefde werpt alle vrees uit.
Net als Augustinus kunnen we verwijzen naar uitspraken als: 'Want alles wat God geschapen heeft, is goed en niets daarvan is verwerpelijk, als het met dankzegging aanvaard wordt.' (1 Tim.4:4). Toch is er wel meer over te zeggen en daar hoop ik de volgende keer mee door te gaan.
2007-2014 Persvereniging Opbouw