19 maart 2004, jaargang 48, nummer 6
Artikel 002587
Beproef de geesten (3) Julianus en zijn vrienden P. van Kampen Is er zoiets als 'occulte aanraking?
En zo ja, kan dat invloed hebben op iemands 'geestelijke' habitus? De vorige keer ging over iemand van nu en iemand uit de negentiende eeuw.
Nu verder terug in de tijd.

Een van de meest intrigerende figuren uit de oudheid is keizer Julianus de Afvallige (332-363) die het christelijke milieu inruilde voor een 'heidense' levensbeschouwing. Een uiterst geducht tegenstander van het christelijk geloof. Wat veroorzaakte zijn afkeer van het evangelie? Zoveel eeuwen later kunnen we die vraag uiteraard niet meer afdoend beantwoorden.
Bekend is echter wel dat hij inwijdingen van occulte aard ontvangen heeft. Dat moet toch met zijn afkeer van het christelijke geloof te maken hebben, lijkt me. Niet zozeer 'de filosofie' alswel de 'wonderdoende beelden' en geheime inwijdingen vervulden hem van haat tegen de Heer der Kerk, zo lijkt het.

Leermeesters
Ik ben vooral geïnteresseerd in zijn contact met een paar leermeesters die men 'neo-platonisten' noemt, maar die duidelijk in verbinding staan met de hele wereld van 'geestelijke machten' (hoewel ook van bedrog sprake kan zijn). Allereerst Maximus van Efeze. Een van Julianus’ docenten zei: 'Maximus is een van onze oudere en vergevorderde studenten.
Door zijn sterke karakter en zijn grote welbespraaktheid kwam hij er toe logische bewijzen op filosofisch terrein aan zijn laars te lappen, waaarbij hij zich ongeremd als een dwaas liet gaan. Pas nodigde hij ons uit een bezoek te brengen aan de tempel van Hecate en maakte daar velen die getuige waren van zijn manipulaties tot zijn tegenstanders.
Toen wij er gekomen waren en de godin begroet hadden, zei Maximus tegen ons: ga zitten, beste vrienden, en let op wat er gaat gebeuren en hoe ver ik boven de grote massa uitsteek.
Op zijn uitnodiging gingen wij allen zitten en hij verbrandde een korrel wierook en reciteerde voor zichzelf een of andere hymne. Zo’n succes had hij met zijn demonstratie dat het beeld van de godin eerst glimlachte en daarna luid scheen te lachen. Wij waren helemaal beduusd door wat we gezien hadden, maar hij zei: laat niemand van jullie zich ongerust maken. Zo meteen zullen ook de fakkels, die de godin in haar hand houdt, gaan branden.
Nauwelijks had hij dit gezegd of de fakkels vlamden op. Op dat moment, bij ons vertrek, waren wij vol bewondering over die theatrale wonderdoener.' 1)

Julianus zou opgemerkt hebben: 'U hebt mij precies de man gewezen die ik zocht.' Hij vertrok naar Efeze, 'waar hij volkomen in de ban raakte van de charlatan Maximus, die zijn leven lang invloed op hem zou blijven uitoefenen met zijn magische praktijken en initiaties in de mysterie-godsdiensten, zoals die van Eleusis en Mithras.'

Inwijdingen
Later verbleef Julianus als student in Athene. Zijn interesse in heidense rituelen was onverminderd: 'Een keer in de maand op zijn minst begaf Julianius zich door de Dipylonpoort en langs de Heilige Weg naar Eleusis.
Maximus had hem vroeger in Efeze aangespoord, zijn opleiding door inwijding in de mysteriën te voltooien en hem verzekerd dat daar nog veel voor hem viel te leren. Zo betrad Julianus, na de voorbereidende wassingen te hebben ondergaan, bekranst met myrtentwijgen, het eerbiedwaardige heiligdom der onderaardse godheden. Hij mocht alle heilige voorwerpen uit de geheimzinnige korf van Demeter aanschouwen; de Triptolemus vertgenwoordigende slang zag hij tusen de granaatapppels en de takken van de vijgeboom kruipen; hij nam deel aan de symbolische maaltijd, dronk van de gewijde mengdrank, de Kykeon, en raakte de heilige koeken aan; in de nachtelijke duisternis zag hij de miraculeuze godenbeelden plotseling in licht baden; hij woonde de taferelen en de dansen bij.' 2)

De inhoud van heidense mysteriën bleef helemaal geheim. Er is echter een christen, dus een verklaard tegenstander, die de handeling toelicht in een verslag: 'Julianus daalde af in een dier voor het publiek ontoegankelijke en huiveringwekkende heiligdommen, in het gezelschap van een man die in de kunst der zinsbegoocheling doorkneed was, méér een sofist dan een wijze.
Deze lieden beoefenen een soort van waarzeggerij die de duisternis en onderaardse demonen opzoekt om daaruit de toekomst te voorspellen.
Naarmate onze held voortschreed, kwamen de verschrikkingen op hem af, steeds talrijker en gruwelijker. Er werden, zo zegt men, vreemde geluiden gehoord, walgelijke geuren stegen op, vurige spookgedaanten en ik weet niet wat voor ongerijmde vertoningen er verder te zien waren. Hij verstijft van schrik bij een onbekende aanblik, want in deze dwaasheden was hij een nieuweling; daarop neemt hij zijn toevlucht tot het oude middel en maakt het teken des kruizes om het voorwerp van zijn vrees te bannen: hem, die hij vervolgt, tracht hij weer tot zijn redder te maken. De gevolgen zijn nog vreselijker.
Het kruisteken werkt inderdaad en overwint de demonen; Julianus’ angst verdwijnt. De misdadige herademt; opnieuw gaat hij voorwaarts.
Maar terstond schept hij moed. En beginnen ook de schrikbeelden weer; opnieuw het kruisteken, opnieuw komen de demonen tot rust, opnieuw aarzelt de wijdeling. Maar zijn inwijder naast hem legt hem op zijn wijze de gang van zaken uit: ’wij hebben hun een ogenblik schrik aangejaagd, maar niet werkelijk afgeschrikt; het kwade heeft overwonnen’.
Met deze woorden overreedt hij zijn leerling en sleept hem in de afgrond des verderfs. Wat deze later nog heeft gezegd of gedaan, wat hij nog heeft ondergaan, voordat hij weer naar boven kwam, weten alleen zij die op deze wijze inwijden of ingewijd worden; in elk geval hebben de demonen, sinds de dag waarop hij deze verfoeilijke godslastering pleegde, volledig bezit van hem genomen.' 3) De schrijver, Gregorius van Nazianze, is een belangrijk theoloog, bepaald niet de eerste de beste.
'Julianus had nu definitief het christendom de rug toegekeerd,' stelt een auteur. Een ander: 'Julianus’ afval was een werk van de neoplationische theürgie en voor alles de daad van een mysticus, die zich door beloften van onsterfelijkheid en gelukzalige aanschouwing had laten verleiden.'

Geestelijk conflict
Wat te denken van een gebeurtenis aan het eind van Julianus’ korte leven. Hij is op veldtocht tegen de Perzen, waarin hij spoedig zal sneuvelen, en komt aan in Antiochië. Dat is een van de voornaamste steden van zijn rijk, met veel heidense alsook christelijke plaatsen. Er is veel onrust in de stad. De bevolking is tegen deze veldtocht. Hij 'liet er zich echter niet van afschrikken vol zorg de godenbeelden te raadplegen; hun stilzwijgen beklemde hem. Een neoplatonische theürg, Eusebius genaamd, kwam hem te hulp met alle riten waarvan hij het geheim bezat: geen enkel beeld gaf enig teken van leven. Blijkbaar was er een betovering.
Eusebius deed de ontdekking: tegenover de tempel was een dode begraven. Er moest ingegrepen worden.
Julianus liet het graf van een christelijke martelaar verwijderen en een heidense reinigingsrite uitvoeren.
Daardoor opgeschrikte christenen snelden erheen en stelden zich rond de kapel op, waarin het graf van hun martelaar werd geschonden; toen de sarcofaag van de heilige op een kar was geplaatst, volgde een diep bewogen stoet de relikwieën, in koor zingend: "Schande over de beeldenaanbidders".'

Kort daarop, de 22e oktober, brak er midden in de nacht brand in de tempel uit; de radeloos geworden priesters konden niets tegen het zich snel verspreidende vuur doen. Zware rookwolken braken overal uit en in een helse vlammengloed gingen de grijnzende godenbeelden met hun draperingen, hun goud, ivoor en edelgesteenten ten onder; zelfs de balken van het dak, waaraan het door Bryaxas vervaardigde godenbeeld met zijn hoofd raakte, gingen met het beeld zelf in de vlammenzee op.
Juianus wilde Apollo te hulp komen.
Maar van de tempel stonden nog slechts de verschroeide muren overeind; de god was verdwenen en de keizer deed zelfs geen poging meer om het heiligdom te herstellen.

Er lijkt sprake van een conflict in de wereld der mensen èn in hemelse gewesten.

1) G.J.D.Aalders, Julianus de Afvallige. Het Leven van een verbitterde Keizer, Kampen, 1983, p.50-52
2) J.Bidez, Keizer Julianus. De Ondergang van het Antieke Heidendom, Utrecht, p. 68vv, 94vv, 224
3) Gregorius. Orat. IV.55
2007-2014 Persvereniging Opbouw