13 maart 2009, jaargang 53, nummer 6
Artikel 000272
Genezingen behoren in India tot de ‘gewone dingen’ ‘Wonderen en tekenen zijn niet de slagroom op onze welvaartscake’ Ad de Boer Het is december 2008. Je hebt longkanker, je voelt je steeds zieker en volgens je arts heb je niet lang meer te leven. Toch besluit je om met je vrouw naar India te gaan om daar je studieverlof door te brengen. Dat deed Pieter van Kampen (63), predikant van de NGK Vlaardingen. Samen met zijn vrouw Nelly van Kampen-Boot (49), PKN-predikant in Pijnacker, vertrok hij begin januarivoor vier weken studie over wonderen in India aan het South Asia Institute for Advanced Christian Studies (SAIACS) in Bangalore.

Kerkgangers na de dienst in Kothanur. (foto Pieter van Kampen)
Als je ondanks je ziekte besluit om zo’n vermoeiende studiereis naar een ver land te maken, moet je daar wel een sterk motief voor hebben. Dat Pieter van Kampen vijf keer in India is geweest en zijn vrouw Nelly drie keer, zegt iets over hun passie voor dit land met 1,1 miljard inwoners, waarvan 24 miljoen christenen. ‘Al decennia geleden is India me onder de huid gekomen’, vertelt Pieter. ‘Vanaf mijn tijd bij de Reformatorische Bijbelschool ben ik veel met zending bezig geweest, en altijd dacht ik daarbij aan mensen in Azië, vooral India en Nepal, nooit aan mensen in Afrika. Ik kan dat niet rationeel verklaren. Het is een onbegrijpelijke, maar ongeneeslijke liefde, die naar ik veronderstel door de Heer zelf in mijn hart is gelegd. Nelly en ik zijn in 2007 door een zendingsorganisatie aangenomen om in Azië te gaan werken tegen de tijd dat ik met pensioen zou gaan, maar door mijn ziekte is dat niet doorgegaan’. Het is de kleurrijke cultuur die hem in India trekt. ‘En de mensen: begaafd, fier, gemotiveerd, vriendelijk. En natuurlijk de fascinerende kerk’. Zijn vrouw vult aan: ‘Het is een springlevende kerk met een grote missionaire drive en het grootste aantal zendelingen ter wereld na de Amerikaanse kerken, grotendeels in eigen land. De drie grootste evangelical zendingsorganisaties hebben samen zesduizend zendelingen; ook gewone gemeenten hebben minimaal twee zendingsprojecten. Ook aan de academische opleiding waar wij waren, proefden we bij hoogleraren en studenten een sterke missionaire roeping: ons volk moet het Evangelie horen! De eerste keer dat ik in India was, had ik het gevoel: ik loop midden in de Handelingen der apostelen. Dat je de werkelijkheid van de eerste christengemeente zo tot op je botten voelt, dat heb ik nog nooit ergens anders gehad’.

Gewone dingen
Een van de doelstellingen van deze studiereis naar India was het verzamelen van materiaal voor een boekje over wonderervaringen in Azië dat Nelly van Kampen wil schrijven. ‘Vijf jaar geleden gaf ik elders in India colleges Nieuwe Testament. Toen zette ik in bij de vraag: hoe lees je in deze moderne tijd de bijbelse wonderverhalen? Nou, die cultuurkloof die wij Westerlingen ervaren tussen de nieuwtestamentische tijd en de onze, ervaren zij helemaal niet. Ze konden zo in de klas aanwijzen wie er genezen waren. Zo’n zelfde ervaring hadden we op Sri Lanka. Daar vroegen we pator Harold van zo’n arme gemeente midden tussen de theeplantages, waardoor mensen vanuit een hindoeïstische of boeddhistische achtergrond tot geloof komen. Nou, zei hij, sommigen zijn wonderbaar genezen, bij anderen zijn duivelen uitgeworpen, weer anderen hebben visioenen of dromen over Jezus gehad, de ‘usual things’ dus. Dat valt dus niet in de categorie bijzondere ervaringen, maar het zijn voor hen de gewone dingen’. Pieter van Kampen vertelt van een vergelijkbare ervaring in Sikkim, waar ze in contact kwamen met de degelijk presbyteriaanse ds. Subbha. ‘Ook bij hem kwamen er veel mensen tot geloof en ook hier er door de ‘usual things’. Worden er bij jullie echt mensen genezen? Natuurlijk, daar bidden we toch om. En worden er bij jullie ook demonen uitgedreven? Natuurlijk, wat zouden we anders moeten doen. De gedachte dat er geen genezingen en uitdrijvingen zouden plaatsvinden, was hen volkomen vreemd’.

Ook tijdens hun recente verblijf in India liepen Pieter en Nelly van Kampen bij docenten en studenten voortdurend tegen wonderervaringen aan. Zoals het verhaal van Harrison, predikant van de Church of South India in Kothanur, een dorp in de buurt van Bangalore, bezig met promotiestudie op SAIACS. ‘Een rustige man, geen exhibitionist, door en door betrouwbaar’, vertelt Nelly. ‘Hij is vanaf zijn twintigste evangelist geweest in Gurjarrat in het Noordwesten, een gebied met veel conflicten. Daar heeft hij veel wonderlijke genezingen meegemaakt: mensen uit een stammenachtergrond die na een eenvoudig gebed en handoplegging genezen werden. En vervolgens kwamen er veel mensen tot geloof. Als mensen zeggen: dat kan helemaal niet, dan lach ik daar om, vertelt hij; ik heb het toch zelf gezien, dat tekenen en wonderen het Evangelie volgden en dat er een doorbraak kwam. Later is hij naar Bihar in het Noordoosten gegaan, daar deed hij dezelfde dingen en daar gebeurde helemaal niks. Het was, alsof hij voor een muur stond waar hij met het Evangelie niet doorheen kwam. Dezelfde man dus met dezelfde geloofsinhoud en hetzelfde verlangen om de Heer te dienen, die op de ene plek bijna alles meemaakt en op de andere plek niets. Hoe komt dat? Al tastend om als beperkt mens zo’n geestelijke werkelijkheid te duiden, zei hij: de oogsttijd was daar toen, zo’n vijftien jaar geleden, nog niet gekomen. Nu wel, nu gebeurt er veel meer. Nu is het een frontgebied voor christenen en hindoefundamentalisten. En er wordt nu ook veel meer gebeden en er is meer onderricht geweest; de gemeenten zijn daar geestelijk steviger dan indertijd’.

Geen bombarie
‘Denk niet’, zegt Pieter, ‘dat we gesproken hebben met mensen die onkritisch elk genezingsverhaal slikken. Een SAIACS-docent typeerde in een doctoraalscriptie over een Indische gebedsgenezer uit Tamil Nadu maar 4% van de geclaimde genezingen tijdens diens massale campagnes als echt. Dan denk je: hier wordt de doodssteek toegebracht aan alles wat we hier in India zoeken. Maar dezelfde docent zegt: zo’n vijftig kilometer hier vandaan zit een gewone dorpsdominee die ik persoonlijk ken, die echt de gave van genezing heeft. Als er iemand ziek is, gaat hij er met een paar ouderlingen naar toe, zalft de zieke, en bijna iedereen waar hij heengaat wordt genezen. Hij maakt er noot bombarie over: gewoon doen wat in Jacobus 5 staat en dan gebeurt het’.

Nelly van Kampen benadrukt dat het bij de wonderervaringen van de Indiase christenen niet alleen om genezingen gaat, maar ook om het uitdrijven van demonen en om dromen en visioenen, waarin mensen die niets van het christelijk geloof weten, een engel of Jezus zelf zien.. Ze citeert het getuigenis van een medestudent die achttien jaar actief was in de gewelddadige hindoebeweging RSS. ‘Hij hoorde een stem, zag in een visioen een bijbel en is nu baptistenvoorganger. Hij en zijn vrouw, die vanwege haar aanvaarding van Christus door haar familie werd afgewezen, zijn heel mild over de hindoe-extremisten. Natuurlijk hebben we geen hekel aan ze, zeggen ze. Als ze het Evangelie hadden gehoord, zouden ze wel anders reageren. Intussen weet hij dat hij als verrader op een dodenlijst kan staan. Dat kan de prijs zijn die je voor je geloof moet betalen, zegt hij rustig’.

Niet problematiseren
Genezingen en andere wonderen zijn volgens de Van Kampens voor Indiase christenen vanzelfsprekend en worden niet zoals in het Westen geproblematiseerd. Hetzelfde geldt voor lijden, ziekte en sterven. Nelly: ‘Dat kan ook haast niet anders, want ziekte en kindersterfte is er de realiteit van alledag. Bij de sterfgevallen waar wij van hoorden, werd er niet moeilijk over gedaan dat ondanks veel gebed dat toch gebeurde. Wij in het Westen problematiseren God. Ik zelf doe dat. Waarom doet God ons dat aan? Dat kan toch niet! Het grote verschil tussen de christenen daar en ons is dat zij leven vanuit het gegeven dat God vóór ons is, wat er ook gebeurt. Bij ons moet God het eerst nog maar eens bewijzen dat hij wel vóór ons is’.

Ze signaleert dat tekenen en wonderen plaatsvinden in frontsituaties, in samenhang met een missionaire prediking. ‘Ze zijn niet de slagroom op onze welvaartscake, maar vergezellen en bekrachtigen de prediking van het Evangelie. Dat is bijbels en zo functioneert het ook in India. Hoe meer men zich er bewust van is dat men aan het front staat en hoe meer de kerken hun missionaire roeping zien, des meer lijkt de Geest deze middelen te geven. En frontsituaties zíjn er in India: in sommige regio’s worden christenen vervolgd door hindoefundamentalisten. Maar dat vermindert hun missionaire drive niet. Ze zeggen: als het zoveel tegenstand oproept, zijn we kennelijk met iets essentieels bezig. Als je je, zoals veel Westerse christenen, niet realiseert dat je aan het front staat, dan verwacht je ook niet veel. Dan vind je het wel fijn dat er mensen genezen worden, maar dan vooral omdat we niet kunnen leven met lijden en gebrokenheid en God jouw succes en jouw gezondheid moet garanderen. Maar dat is niet waar het de christenen in India om gaat’. Ze verwachten meer van God én ze zijn minder teleurgesteld in God dan wij, als het anders gaat, taxeert Pieter: ‘Ze verwachten meer van God en ze bidden ook veel meer dan wij hier in Nederland doen. Onze nood is allereerst onze gebedsloosheid: een vitale zenuw die geraakt is. En vervolgens hebben zij zoveel gezien van wat God kan en doet, dat het natuurlijk spijtig is als God jouw gebed om genezing niet verhoort, maar dan wordt niet zoals vaak bij ons de vertrouwenskwestie gesteld. Hij is God: hij is vrijmachtig om te doen wat hij wil’.

Jan Zijlstra
Die ontspannen, verwachtingsvolle houding ervoeren ze ook rond Pieter’s ziekte. ‘Het begon al toen we ons aanmeldden bij de decaan van SAIACS: een gereformeerde jongen, gepromoveerd op wonderen en tekenen, helemaal geen type Jan Zijlstra. Toen we vroegen naar medische voorzieningen in Bangalore in verband met Pieter’s longkanker, schreef hij: We hebben hier uitstekende ziekenhuizen. Maar die zult u natuurlijk niet nodig hebben, want de oudsten van uw gemeente hebben u gezalfd en staat er niet: wie de Heer verwachten, putten nieuwe kracht? Hij begreep gewoon niet waar wij over tobden. Toen we daar waren, waren de reacties eigenlijk net zo. Over het boek dat Pieter nog graag wil schrijven over de kerkgeschiedenis van India, zeiden ze ontspannen: als God het belangrijk vindt dat jij dat boek schrijft, zul je dat boek schrijven. En anders is het misschien niet zo erg dat het niet geschreven wordt’. Pieter zelf heeft ondanks alle genezingsverhalen in India geen aandrang gevoeld om naar voorgangers met de gave van genezing toe te gaan. ‘Dat heb ik in Nederland ook niet. Mensen vragen me: waarom ga je niet naar Jan Zijlstra? Dan zeg ik: omdat de oudsten hier al ziekenzalving hebben gedaan. Als God niet geneest via wat hij zelf zegt in Jacobus 5, waarom zou hij dat dan wel via Jan Zijlstra doen? Wat heeft God hem dan nog extra gegeven dat ik daar zou moeten gaan halen? Voor je het weet verdwijnt de macht van Christus achter de superieure vermogens die Jan Zijlstra worden toegedicht. Die dorpsdominee in India die zoveel mensen na een ziekenzalving ziet genezen, doet precies hetzelfde als wij ook gedaan hebben. God is niet hardhorend. Hij weet het. De dokter zei in maart 2008: je sterft binnen een jaar. Nu zijn we een jaar verder, het vat wordt wel zwakker, maar tegen alle statistieken in ben ik er nog’.

Leven en sterven
‘Omdat wereldwijd veel mensen voor ons bidden, is de Heer nog niet moreel verplicht om mij beter te maken. Hij is wie hij is; wij passen ons aan hem aan, niet hij aan ons. Ik wil me niet sterker voordoen dan ik ben: deze weg ben ik niet eerder gegaan en het lijkt me angstaanjagend om dood te gaan. Maar we zijn toch mensen met hoop. Ik preekte recent over Filippenzen 1, dat voor Paulus het leven Christus is en het sterven winst. Paulus is niet bang om te sterven, maar wel dat hij die allerlei mensen het Woord heeft gebracht, zelf op het laatst zal worden gediskwalificeerd. Dat vind ik voor mezelf een voorbeeld. Ik heb ook gepreekt over Handelingen 12: Petrus ontkomt uit de gevangenis, Jacobus wordt er onthoofd. En dus: “Hetzij we leven met Petrus, hetzij we sterven met Jacobus, we zijn van de Heer!” Natuurlijk wil ik graag verder leven: we zijn pas zes jaar getrouwd en ik verlang ernaar nog een tijd samen te zijn. Maar het rijk van God gaat uit boven ons privé-leven. Als de Heer om redenen die voor Hem doorslaggevend zijn, mijn leven niet zou verlengen, dan verdient hij nog steeds onze lofprijzing en dankbaarheid. Er komt een moment dat je niet met je leven, maar met je sterven Hem groot moet maken. Hoe je dat moet doen, heb ik nog nooit meegemaakt en dat komt je ook niet aanwaaien. Maar de essentie is: Hij is Heer, hij beschikt over je leven en ook over je sterven. Ik bereid me erop voor dat ik het niet meer zo lang zal maken. Maar ik ben ook bezig met een project dat ik graag wil afmaken. Dus het is een tweesporenbeleid, want ik weet niet welke van de twee wegen het wordt. En dan denk ik: zalig de slaaf die aan het werk wordt gevonden als zijn heer komt. Dus als ik dan toch dood moet gaan, dan hopelijk een beetje in het harnas’.

Gewonde genezer
Bij de vraag, of ze iets kunnen met de verzuchting van mensen die op hoge leeftijd kanker krijgen en dan God aanklagen: waarom doet Hij me dit aan, valt Nelly uit. ’Daar kan ik echt razend om worden. Dat is ons dus nooit beloofd! Christus is de gewonde genezer. Het is de gebroken gestalte van de Heer die met je meegaat. Het christelijk geloof is een geloof met een kruis in het hart en als het op een gegeven moment jou raakt, dan is de vraag niet: waarom moet mij dat overkomen, maar: hoe kan ik met wat mij overkomt een transparante volgeling van Christus zijn? Hoe kan ik daarin als een aarden vat de heerlijkheid van Christus weerspiegelen? Met alle verdriet en narigheid erbij, want die zijn er. Dat is toch je levensopdracht? Je krijgt wat je dáárvoor nodig hebt en dat is niet altijd wat jij wilt. Maar dan ervaar je iedere keer dat Gods kracht er in onze zwakheid is’. En Pieter vult aan: ‘Als waar is wat ik in mijn pastorale werk heb gezegd - de mens is als een bloem in het veld, de bloem valt af, maar het woord van de Heer blijft tot in eeuwigheid - dan is het ook voor mij genoeg. En als het voor mij niet genoeg is, dan had ik dat toen nooit mogen zeggen. Uit jezelf kom je niet op dat niveau om je dat toe te eigenen. Maar ik geloof dat de Heer – nu nog niet, maar als het zover is - die stervensgenade geeft’.

Daags na mijn gesprek kregen Pieter en Nelly van Kampen van de longarts te horen dat de longfoto’s er beter uitzien dan verwacht. Ze hoeven pas over drie maanden terug te komen.
2007-2014 Persvereniging Opbouw