26 november 2004, jaargang 48, nummer 23
Artikel 003258
Kerk en moslims na Van Gogh Bidden en bezoeken P.J. van Kampen De heer Nasri is een vijftiger, een stevige man in een leren jack. We zien elkaar in het portaal van de Marokkaanse moskee in Vlaardingen, waar ik door de beginnende regen heen gefietst ben. Hij heeft een rijschool, met zichzelf als enige instructeur.
Voor de gelegenheid heeft hij een van zijn leerlingen afgezegd. Hij zal me te woord staan, want hij is de voorzitter van het moskeebestuur.

Zo zit ik even later in de hoofdruimte van de moskee – uiteraard zonder schoenen, want die dien je in een moskee uit te trekken. De ruimte is niet geheel leeg; er zitten wat mannen op de grond, vooral jonge mannen, valt me op. Over ruim drie kwartier begint het middaggebed en dan ga ik weer weg. Morgen is het Suikerfeest; dan wordt de ramadan, de vastenmaand, afgesloten. Maar nu is het nog extra druk, zoals vaak bij ramadan.
Het is ook zichtbaar dat de moskee niet welvarend is.
Hoe gaat het met de Marokkaanse gemeenschap? Zijn ze groot, zijn ze bang? Nee, niet groot. Zo’n duizend mensen, zegt mijn gesprekspartner.
Aanzienlijk kleiner dan de Turkse gemeenschap. Daar zijn er zeker vier keer zoveel. En wist ik dat er ook zeshonderd Palestijnen in deze stad wonen? Dat geen enkele stad in Nederland méér Palestijnen telt dan Vlaardingen? Ik moet bekennen dat ik dat niet wist. Nu dus wel.
Voelt men zich onveilig? Nee, dat valt wel mee. Er is tot nu toe nooit iets gebeurd. Maar men is uiteraard wel waakzaam. Trouwens, naast hen zit ook een christelijke kerk, de vrijgemaakte, en daar heeft men wel eens wat contact mee.
Maar ‘t is wel treurig wat er in ons land gebeurt. Zij wonen hier toch ook? Zelf is hij hier als jongen van 17 gekomen. Dit is zijn stad, niet meer het Marokkaanse Nador, waar hij oorspronkelijk vandaan komt. En zo praten we verder: over veranderingen in de samenleving, over zijn mensen die in rust hier willen wonen, met hun gezin. Ze zijn gekomen om hier een beter bestaan op te bouwen, er economisch bovenop te komen. Zij zoeken al die ellende niet op. Het overkomt hen. Ik stel veel vragen en hij geeft bereidwillig antwoord; ik krijg minder vragen over wie wij als Nederlands gereformeerden zijn dan omgekeerd, maar dat is oké. Hij stelt zijn tijd ter beschikking.

'Getuigend'?
Is dit nu bezig een 'getuigend' gesprek te worden? Dat niet direct, al gaat het zeker ook over de vraag wat christenen en moslims geloven, waar we elkaar kunnen ondersteunen in overtuiging of gedrag, en ook waar niet. Ik vertel hem dat ik er over denk om voor mijn gemeente en ook wellicht wat andere (genabuurde) gemeenten een paar avonden over de islam te organiseren. Zou hij dan ook wat willen komen vertellen? 'Ik niet,' is het besliste antwoord. 'Dan sturen wij een jonge man die momenteel in Mekka verblijft.' Maar hij vindt dus wel dat zijn gemeenschap kan worden ingeschakeld. 'En als ik bij uw mensen eens iets wil vertellen over wat christenen geloven, kan dat ook?' Ja, dat valt misschien ook wel te regelen.

Verzoening
De drie kwartier zitten erop; zij gaan bidden en ik neem afscheid. Een klein stukje 'kerkenwerk' zit erop.
Maar is het wel kerkenwerk? Heeft de gemeente van Christus wel mandaat om zo met andersgelovigen om te gaan? Ik meen van wel. Aan ons is de 'dienst der verzoening' toevertrouwd.
Er zijn wezenlijke verschillen tussen islam en chrstelijk geloof en die mogen niet worden weggepoetst.
Maar nu, op dit belangrijke moment in ons volksbestaan, moeten christenen de weg naar moslims zien te vinden om met hen contact te zoeken.
Met de bedoeling om, onder Gods zegen, met elkaar in vrede te leven.

Vredestichters
Laten we wel zijn: geestelijk staan we dichter bij de moslims dan bij degenen die Theo van Gogh als martelaar voor de vrije meningsuiting willen vereeuwigen en er niet van willen weten om enige wetsbepaling over 'godslastering' in ons volksbestaan toe te laten. De laatste weken 'is de geest uit de fles gekomen', zeggen sommigen. Ik zelf zou liever het vermoeden uitspreken dat een heel duistere 'geest uit de afgrond' zich vaardig heeft gemaakt over een deel van ons volk. We tonen de sporen van geestelijke teloorgang en verloedering.
Het plebs zou willen regeren en het 'recht' in eigen hand nemen.
Vooralsnog zie ik een grotere bedreiging van de christelijke identiteit bij de afvalligen, degenen die het (christelijk) geloof ten enenmale uit het openbare leven willen verwijderen, dan bij de moslims, die mogelijk ook schamperen over kerk en christenheid.
Laten we veel bidden, maar in het zoeken van oplossingen voor de nood van ons verscheurde volk ook eens een bezoek afleggen bij moslimse buren. Om te bemoedigen, te ontmoeten, relaties aan te gaan, voor boze en goede tijden. Om eventueel, als de Heer ons daartoe in staat stelt, over enige tijd – als er vrede en vertrouwen mocht ontstaan – toch ook te spreken over Jezus, die ons zo lief is.
Dat laatst moet ook stellig, maar eerst – nu – ligt er de opdracht om vredestichters te zijn, getuigen van Gods vrede.
2007-2014 Persvereniging Opbouw