9 juni 2006, jaargang 50, nummer 12
Artikel 003735
Column Slag in het wiel Jeannette Westerkamp Iemand heeft iets met mijn fiets gedaan. Met het voorwiel. Het lijkt onder mijn fiets weg te willen kronkelen en doordat de dynamo elke keer een duw krijgt heb ik een knipperlicht, voor en achter.

Het was een fijne fiets en een ideaal voorwiel. Al bijna een jaar. Geen nieuwe fiets, want die durf ik nergens neer te zetten, ook niet met een aantal sloten. Omdat ik van hier naar daar fiets, dus geen urenlange tochten maak, heb ik een goede tweedehandse gekocht. Ik was verbaasd hoeveel mensen ik voorbijreed toen ik hem net had. Blijkbaar had mijn vroegere trage tempo niet alleen met mijn conditie, maar ook met die oude fiets te maken. Maar de lichten deden het, de versnelling gehoorzaamde direct, dus ik was tevreden.

Maar nu is er iets met dat voorwiel gebeurd. Terwijl ik bij een interkerkelijke sing-in sta te zingen nog wel.
Blijkbaar geeft dat rondom het gebouw geen bescherming. Wanneer ik thuis kom en degene-die-over-onze-fietsengaat naar mijn voorwiel kijkt, besef ik pas hoe erg het is. ‘De hele voorvork is ontzet.’ De fiets stond niet in een rek, dus er kan niet iemand per ongeluk tegenaan zijn gevallen. Nee, het lijkt erop dat iemand, of meer iemanden op het wiel hebben gestaan. Wat is daar nou de lol van? En staat die lol in enige verhouding tot de dagelijkse ellende, die mij dit gaat opleveren?

De volgende dag fiets ik naar mijn werk in de gevangenis. De snelheid is er uit. Ik vind een briefje van ene Peter, hij wil me spreken. Ik tref een jongen van negentien, stijf van de spanning. Het is zijn eerste keer achter de deur. Hij heeft al drie nachten niet geslapen, is kilo's afgevallen. Hij maakt zich geweldig zorgen over zijn werk, zijn ouders, zijn vriendin. En hij stikt haast van woede over zoveel onrecht. Hoeveel criminelen lopen niet vrij rond en dan wordt hij opgepakt. En waarvoor? Voor het stelen van een fiets! Hij had hem niet eens verkocht. Ik ga niet in op het verhaal. In Afrika zeggen ze, dat mensen kunnen opbiechten dat ze een touw hebben gestolen, zonder te praten over de geit die eraan vastzat. Wat er precies is gebeurd doet er even niet toe. Ik ben geen rechter. Ik krijg een dwaze inval. ‘Heb je een fiets gestolen?’, vraag ik en buig me naar hem toe over de tafel. ’Wanneer en waar?’ Hij is verbouwereerd en geeft meteen antwoord. ‘Maar dat moet mijn fiets zijn, lieve help…’ Hij schrikt, hij schrikt enorm. ’Dat was niet de bedoeling’, stamelt hij. ‘U krijgt een nieuwe, echt, zodra ik hier uit ben.’

Dan hoor ik mijn geweten. ’Luister’, zeg ik. ‘Mijn fiets is niet gestolen, maar vernield. Maar toen je deed of het niks was, zo’n fiets, toen dacht ik: Weet je hoe dat voelt als je op je fiets wilt stappen en die is ineens weg?’ ’Dus het was niet úw fiets?’, vraagt hij. Ik schud mijn hoofd. Hij kijkt opgelucht. Er valt een ongemakkelijke stilte.

Dan begint hij te vertellen, over vrienden en bier en wat softdrugs en rondhangen en hier en daar ‘een geintje’ uithalen.
Hij kijkt me vanuit zijn ooghoeken aan. ‘Als ik het zo vertel klinkt het kinderachtig.’ ‘Is het leuk?’, vraag ik dan. ‘Krijg je er een goed gevoel van?’ Hij haalt zijn schouders op. ‘Zonde’, zeg ik, ‘de ander krijgt er een boel ergernis en ellende van, terwijl het jou niet eens een goed gevoel geeft.’ ‘Gaat u me een schuldgevoel aanpraten?’ ‘Lukt dat al een beetje dan?’ We moeten er alle twee om lachen. ‘Ik voel me wel beter dan voor u kwam’, zegt hij.

Even stil. Dan: ‘Kan ik hier ook naar de kerk?’ ‘Wil je me troosten met mijn kapotte fiets?’ Hij schudt van nee. ‘Hier kan ik eens kijken wat het is, buiten heb ik daar geen tijd voor, eh, nou ja. Er moet toch meer zijn dan wat rondhangen. Ik ben hier nog maar drie dagen en ik heb al zoveel nagedacht.’ ‘Misschien was die ene gestolen fiets het waard’, zeg ik.
Hij kijkt me niet begrijpend aan. ‘Ik zal je op de kerklijst zetten. Als je nog eens wilt praten, schrijf je maar een briefje.’ ‘Graag’, zegt hij. ‘Bedankt voor uw tijd.’ Een rechte slag met een krom wiel?
2007-2014 Persvereniging Opbouw