16 februari 2001, jaargang 45, nummer 4
Artikel 004290
Deining H. Algra Voor de Tweede Wereldoorlog had de Anti-Revolutionaire Partij –onder aanvoering van dr. H. Colijn- grote politieke invloed. Na de oorlog kwamen de anti-revolutionairen in een politiek isolement terecht. In 1952 deed de partij weer mee aan de regering. In de jaren die volgden voltrokken zich binnen de gelederen van de partij grote veranderingen. Die periode is door de historicus en politicoloog Jan-Jaap van den Berg beschreven in zijn proefschrift: ‘Deining, Koers en Karakter van de ARP ter discussie, 1956-1970’. Van deze dissertatie verscheen een handelseditie bij Kok in Kampen.

Van den Berg ziet de ARP in deze jaren niet als een homogeen gezelschap, maar als een samenbundeling van verschillende stromingen. Hij gaat –op basis van eerder onderzoek door de socioloog dr. D.Th. Kuiper- uit van drie denkrichtingen die het gezicht van de ARP in deze jaren bepaalden. Het zijn de ‘traditionele richting’ (met als bekendste namen: H. Algra, Prof.
dr. S.U. Zuidema en M.W.Schakel), de ‘modern-pragmatische richting’ (dr. J. Zijlstra en mr. B.W. Biesheuvel) en (later) een ‘evangelisch-radicale richting’ (dr. W.P Berghuis en dr. J.A.H.J.S. Bruins Slot). Een dergelijk onderscheid heeft uiteraard iets kunstmatigs, want opvattingen en mensen kunnen lang niet altijd ‘in een bepaald vakje’ geplaatst worden. Daarnaast moet worden opgemerkt dat de onderlinge verwantschap binnen de ARP – ndanks de vele meningsverschillen- altijd sterk is gebleven.

De achterban
Wie de foto’s in het boek bekijkt ziet bijna uitsluitend mannen in een donker pak. Uiterlijk zou je in onze tijd kunnen denken aan een partijcongres van de SGP. Het proefschrift van Van den Berg laat zien dat achter dat uniforme uiterlijk toch veel verschillen schuil gingen. Aanvankelijk was o.a. de kerkelijke achtergrond van de leden van de ARP een punt van aandacht, o.a. bij het opstellen van kieslijsten. De meeste leden van de partij waren Gereformeerd, maar een niet onaanzienlijk deel behoorde bij de Gereformeerde Bond (van de Nederlandse Hervormde Kerk).
Een klein, maar zeker niet onopvallend deel was vrijgemaakt-Gereformeerd (zoals B. Goudzwaard en J. Meulink).
Daarnaast speelde de regionale afkomst een rol, waarbij vooral de actieve en massieve Friese achterban (met het Friesch Dagblad als spreekbuis) in het oog sprong. In de jaren ’50 sluimerde de oppositie vooral buiten de gevestigde orde van de partij: in kringen van CNV en Vrije Universiteit. Geleidelijk aan sijpelden deze opvattingen door in de politieke lijn van de partij. In 1967 werd vrij algemeen aanvaard dat ook de ARradicalen een verkiesbare plaats op de lijst moesten verkrijgen. Aan de andere kant verliet een aantal ‘traditionele’ leden de partij, een deel vond politiek onderdak in wat later de RPF (nu: Christen-Unie) zou worden.

Ontwikkelingen binnen de Gereformeerde kerken
De ARP was ‘van huis uit’ een partij met veel leden uit de Gereformeerde Kerken Waren de veranderingen binnen de partij een gevolg van een omslag binnen de kerken, was het omgekeerd of kan dat verband niet worden getrokken?
Slechts op enkele bladzijden gaat de promovendus in op de ontwikkelingen in gereformeerd Nederland. In navolging van Hendriks (die onderzoek deed naar de emancipatie van gereformeerden) schrijft Van den Berg dat de Gereformeerde Kerken aanvankelijk een geïsoleerd bestaan leidden en dat ze hun bestaansrecht nog wilden ‘bewijzen’. Vervolgens werden de eigen organisaties opgebouwd. In de 3e fase trad een zekere zelfgenoegzaamheid op over het vele dat bereikt was (vooral tussen 1920 en 1950). Deze periode werd overigens wreed verstoord door de Vrijmaking. Na 1950 probeerden de Gereformeerde Kerken steeds nadrukkelijker aansluiting te vinden bij ontwikkelingen in de samenleving. De band met eigen organisaties, waaronder de ARP en de VU, werd minder hecht. Vooral na 1960 gingen de veranderingen (die aanvankelijk sluimerend waren) snel. Zo sloten de Gereformeerde Kerken zich aan bij de Wereldraad van Kerken en werden thema’s als oorlog en vrede, armoede en racisme zeer actueel in de prediking. Deze thema’s gingen tegelijkertijd ook een grotere rol spelen in de politiek.

De Kuyperstichting
De ARP kende een eigen wetenschappelijk bureau, genoemd naar de oprichter van de partij. Opmerkelijk is de schets die Van den Berg maakt van de ontwikkelingen binnen de Kuyperstichting. Daar traden in een kort tijdsbestek 3 nieuwe medewerkers in dienst, die sterk waren beïnvloed door het gedachtengoed van reformatorische filosofen als Dooyeweerd en diens leerlingen Mekkes en Zuidema. Twee medewerkers (Prins en Hoogendijk) waren actief geweest bij de Utrechtse gereformeerde studentenvereniging SSR. Van den Berg noemt de sfeer binnen die vereniging meer diepgravend en serieuzer dan aan de VU. ‘Immers: waar aan de VU toch iedereen al gereformeerd was, dienden de aan de Rijksuniversiteiten studerende SSRleden zich geestelijk te wapenen om zich staande te houden in de continue omgang met andersdenkenden’ (161).
Na dit tweetal volgde in 1958 bij de Kuyperstichting de Rotterdamse econoom drs. B. Goudzwaard. Van den Berg constateert dat dat Prins, Hoogendijk en Goudzwaard binnen de ARP als een soort ‘denktank’ hebben gefungeerd bij het ontwikkelen van een nieuwe visie op de rol van de overheid. ‘Juist omdat de staat als rechtsstaat de publieke gerechtigheid dient te verwezenlijken moet er ook sociaal-economisch ingegrepen kunnen worden’ (165).

Punten van discussie
Daarmee zijn we bij een thema aangekomen dat als een rode draad door de discussies loopt: de rol van de overheid.
De leiding van de partij neigde op den duur naar een sterkere invloed van de overheid, maar de partijleden dachten daar vaak anders over. Deze spanningen kwamen o.a. naar voren bij de vraag of antirevolutionairen met socialisten samen konden werken. Op de achtergrond speelde ook mee dat een deel van de achterban kritiek op het Westen zag als een knieval voor het communisme. De interne spanningen kristalliseerden zich o.a. uit bij de samenstelling van de kandidatenlijsten, waarbij onder invloed van ‘lobby’s’ kandidaten naar voren geschoven werden of juist van het toneel verdwenen. Wie het boek doorleest komt onder de indruk van het grote aantal politieke thema’s dat in de periode 1956-1970 de gemoederen bin hield. Naast de grote lijnen (zoals de rol van de overheid) komen allerlei andere heikele punten aan de orde, zoals de bestrijding van de zeer ernstige woningnood en niet te vergeten: de invoering van de Mammoetwet (uitmondend in de praktijk van grote scholengemeenschappen). Ook de atoombom en zelfs de commerciële televisie komen ter sprake. Onderwerpen als abortus en euthanasie en de milieuwetgeving zijn in die tijd politiek nauwelijks van belang.
Er waren ook alledaagse vraagstukken die de aandacht vroegen. In 1964 werd in het partijblad Nederlandsche Gedachten de vraag aan de orde gesteld of men zijn kinderen op zondag op een ijsje mag tracteren. Het advies luidt als volgt: ‘De beste oplossing is vaak op zaterdag de ijsjes voor de zondag in de ijskast te zetten.’ Voor dit advies kreeg de auteur niet van alle lezers de handen op elkaar, in een ingezonden werd gepleit voor de strakke lijn, want ‘wie in het kleine getrouw is, zal het ook in het grote zijn’ (242).

Nieuw-Guinea
Een opvallende kwestie die in het boek een grote rol speelt is de kwestie Nieuw-Guinea. Jarenlang zagen de antirevolutionairen Soekarno als een opstandeling (en zelfs als een pion van het communisme) met wie men geen zaken mocht doen. Slechts enkele mensen (vooral uit de zending, zoals dr. J. Verkuyl) meenden dat Nederland er goed aan zou doen tot een dialoog met de Indonesische regering te komen. In de loop van 1961 kwamen zowel Berghuis als Bruins Slot tot de conclusie dat Nederland de belofte aan de Papoea’s over hun zelfbeschikking nooit na zou kunnen komen.
Deze omslag was gebaseerd op pragmatische gronden (Nederland zou bij een gewapend conflict door geen enkel land gesteund worden). Toch vult Van den Berg (in navolging van L.A. Kaan) aan dat Bruins Slot ook een ander –meer principieel argumenthanteerde. Hij was onder invloed van theologen als Verkuyl en Berkouwer ‘tot de conclusie gekomen dat het doel van de christelijke politiek diende te zijn: het realiseren van gerechtigheid in de concrete realiteit.
Binnen dat kader ging men de vroeger doorslaggevende betekenis van een enkele Bijbeltekst als Romeinen XIII relativeren’ (201). De discussies over de toekomst van Nieuw-Guinea waren binnen de partij vaak bijzonder fel. Zijdelings kwam overigens ook ‘de kwestie Ambon’ een aantal malen ter sprake. Veel partijleden wilden zich niet aansluiten bij de mening van de partijleiding. Onder hen vinden we ook de namen van het vroegere Opbouw-redactielid dr. J. Meulink en van onderwijzer G. Goossens.

De Anti-Revolutionaire Partij

De Anti-Revolutionaire Partij vond zijn wortels o.a. in het Réveil en in het denken van Groen van Prinsterer. In 1879 werd door dr. Abraham Kuyper ‘Ons Program’ gepresenteerd als basis voor de eigen politieke organisatie. Kuyper bepaalde jarenlang het gezicht van de partij. In de jaren ’20 en ’30 had zijn opvolger dr. H. Colijn eveneens grote invloed. In die tijd behaalde de ARP 17 van de 100 zetels in de Tweede Kamer. In 1980 ging de ARP samen met de CHU (met een overwegend Nederlands Hervormde achterban) en de katholieke KVP op in het Christen Democratisch Appèl (CDA).

Van den Berg onthoudt zich van commentaar; aan de hand van beschikbare documenten beschrijft hij de geschiedenis. Benadrukt moet worden dat er ten aanzien van Nieuw-Guinea twee heel verschillende discussies een rol speelden. Aan de ene kant was er de vraag of een dialoog met Soekarno mogelijk was.
Aan de andere kant speelde de vraag naar de zelfbeschikking voor de Papoea’s. Het bleef voor die partijleden –ook na de overdrachteen raadsel hoe de etnisch zo totaal anders georiënteerde bevolking van Nieuw-Guinea zomaar kon worden ‘overgeleverd’ aan een vreemd land. Nóg minder begrijpelijk werd het als daarbij (mede) als argument de bijbelse gerechtigheid naar voren wordt gebracht. Hoe kun je nu –op basis van de bijbelse boodschap- een heel volk aan een veel machtiger volk uitleveren? De geschiedenis heeft inmiddels laten zien dat die ARPleden destijds niet ten onrechte verontrust waren over de expansiedrift van de regering in Djakarta.

Kritiek op de partijleiding In de eerste helft van de 20e eeuw had de ARP leiders gehad die een bijna onbetwist gezag leken te hebben (dr. A. Kuyper, dr. H. Colijn). In de jaren ’50 en ’60 ontstaan forse scheuren in dit beeld. Zo laat Van den Berg bij de kwestie Nieuw-Guinea zien dat er zeer veel oppositie werd gevoerd, zowel in groepsverband als individueel. De omslag van de partijleiding werd door een breed gedeelte van de achterban niet begrepen, laat staan gevolgd. Op allerlei manieren kwam verzet tot uiting. Zo bleek de Friese senator H. Algra zich absoluut niet bij het standpunt van de partijleiding inzake Nieuw Guinea neer te willen leggen. Hij was jarenlang én hoofdredacteur van het Friesch Dagblad én van het partijweekblad Nederlandsche Gedachten. Toen hem werd verboden om zijn kritiek op de Nieuw-Guineapolitiek in de kolommen van het partijblad te plaatsen zette hij de strijd voort via de hoofdartikelen in het Friesch Dagblad, die vervolgens toch weer in Nederlandsche Gedachten verschenen, namelijk: in de persrubriek.
In een ander verband zien we dezelfde problemen ontstaan. In een eerder stadium had een groot deel van de achterban al moeite gehad met het feit dat de ARP mee deed aan een regering met de socialisten (Drees). Je zou misschien kunnen zeggen dat deze lijn hooguit morrend gedoogd werd. De kleur van de meeste partijleden en congressen was vooral traditioneel waarbij de invloed van de overheid zo beperkt mogelijk moest worden gehouden. Deze spanningen zetten zich voort in een lange reeks van daarop volgende jaren.

Tenslotte
Men spreekt ten aanzien van de jaren ’60 wel van een omslag in de westerse cultuur. Die omslag ging aan de ARP niet voorbij. Wat heeft er zich precies in de hoofden en de harten van al die gereformeerden in die tijd afgespeeld?
In hoeverre waren die signalen in de prediking merkbaar? Of kwamen die invloeden van buitenaf? Ten aanzien van die vraagstukken licht Van den Berg slechts een heel klein tipje van de sluier op. Dat is jammer, maar het is ook de vraag in hoeverre die informatie nu nog boven water valt te krijgen.
Het proefschrift van Jan-Jaap van den Berg vormt een boeiend relaas van een deel van de politieke geschiedenis die niet ver achter ons ligt. Nu Paars al jaren aan de macht is lijken we bijna te zijn vergeten dat er een tijd was waarin christelijke politiek een groot stempel op de samenleving drukte. Het is dan ook soms met weemoed, maar zeker ook met veel interesse dat ik dit boek heb gelezen. Uiteraard vormen de opmerkingen slechts een klein deel van de vele documentatie die in het boek aan de orde komt. Van den Berg laat zien dat geschiedenis zeker geen saai vak is.

Naar aanleiding van: Deining. Handelseditie van het proefschrift van Jan-Jaap van den Berg, Historische Boekerij, deel 6, Kok, Kampen, 1999

De Wijsbegeerte der Wetsidee
De heren Prins, Hoogendijk en Goudzwaard werden sterk geïnspireerd door de zogeheten Wijsbegeerte der Wetsidee (WdW). Dit wijsgerige stelsel werd in de jaren twintig ontwikkeld door H. Dooyeweerd en zijn zwager D.H.T. Vollenhoven, beiden als hoogleraar verbonden aan de VU. De WdW bevat drie belangrijke onderdelen. Allereerst wordt door middel van een zogeheten ‘transcendentale kritiek’ geprobeerd de structuur van het denken te ontleden om aan te tonen dat elk filosofisch denken religieuze uitgangspunten bezit.
Op de tweede plaats worden door de WdW binnen de werkelijkheid verscheidene aspecten en verschijningsvormen (entiteiten) onderscheiden, waarbinnen eigen wetten gelden. De aspecten zijn daarmee soeverein, dat wil zeggen onherleidbaar en met eigen wetten en structuren. Het derde onderdeel is de structuur van de entiteiten, ook van de maatschappij in allerlei verbanden, en de ontwikkeling die hieraan ten grondslag ligt.
In verband met het tweede en derde onderdeel moet ook de term ‘soevereiniteit in eigen kring’ genoemd worden. In politiek-maatschappelijk opzicht houdt deze term in dat hoewel alle onderdelen van de samenleving (gezin, politiek, vakbond, etc.) met elkaar verbonden zijn, ze toch op hun eigen ‘terrein’ hun eigen taken en verantwoordelijkheden hebben. (Met dank aan Sander Dekker voor het schrijven van dit intermezzo)
2007-2014 Persvereniging Opbouw