30 maart 2001, jaargang 45, nummer 7
Artikel 004551
Moderne rituelen (1) Mogen wij elkaar zegenen? P.J.van Kampen Van alle kanten komen berichten tot ons van mensen die een ‘Stille Tocht’ organiseren, waarin aan woede, verbijstering, verdriet of een combinatie van dat alles uiting gegeven wordt.
Meisjes worden in een disco doodgeschoten, jongens of mannen worden in een daad van wat we ‘zinloos geweld’ zijn gaan noemen doodgeslagen, -geschopt of voor het leven mismaakt in een kroeg of winkelstraat of op een station. Een uitgaanscentrum brandt af in Volendam, waarbij jonge mensen het leven laten of voor het behouden leven getekend zijn. Reden voor menigeen om de straat op te gaan; samen met vele anderen, die soms met extra treinen van de NS of bussen naar de plaats des onheils worden gedirigeerd. Het verschijnsel van stille tochten lijkt een modern ‘ritueel’ geworden, een soort al dan niet godsdienstige plechtigheid.

Verdient 't ook aandacht van christenen? Hebben ook wij in onze tijd behoefte aan (nieuwe) rituelen? En zo ja, hèbben we die dan ook in huis? Ik zou daarover wat gedachten op u willen loslaten, met de vraag om uw reactie. Tenminste vier mogelijke ‘nieuwe rituelen’ wil ik noemen: het zegenen van elkaar, het ‘inwijden’ van je net betrokken nieuwe huis, de ziekenzalving en het aanroepen van de naam des Heren in gevallen van rouwen, trouwen, scheiden of andere pastorale crisismomenten. Ik heb beperkte ervaring in dezen en mis helaas ook elke bijzondere deskundigheid om met dit soort zaken om te gaan.
Maar, zoals gezegd, ze interesseren me. Dat is mijn enige excuus erover te schrijven.

Zegenen
Ik zou graag willen beginnen met het begrip ‘zegenen’. Wat is dat eigenlijk? Wat is er in de Bijbel aan de hand, als God mensen zegent, of mensen elkaar zegenen? Een paar snelle conclusies, als je het Oude Testament - vooral het boek Genesis - leest luiden:
• Er wordt heel wat gezegend in de Bijbel
• Mensen (en dieren) worden gezegend door God, b.v. met voorspoed, voedsel en vruchtbaarheid

Ook mensen zegenen elkaar heel geregeld:
Melchizedek zegent Abraham - Gen 14:19;
Laban en zijn moeder zegenen Rebecca bij vertrek - Gen 24:16;
Izaäk zegent Jakob in plaats van Ezau – Gen 27:23;
Jakob zegent de Farao, Jozef en zijn andere zonen - Gen 48,49
In Genesis gaat het dus vooral om Izaäk en Jacob die (klein)zonen zegenen.

Ook in de latere Oudtestamentische boeken wordt gezegend: door Mozes 1), door Jozua 2), door Eli 3), David 4), Salomo 5), het volk 6) (Het geval waarin de heidense ziener en occulte hotemetoot Bileam per abuis en tegen zijn wil het volk Israël zegent in plaats van hen te vervloeken nemen we en passant ook even mee. (Num. 23)) Voorzichtige eerste conclusies zijn:

• Oudtestamentische gelovigen zegenen ten diepste vanuit hun relatie tot God.
• Ze doen dat met het gezag en de bekrachtiging die alleen God hun geven kan.
• Ze doen dat omdat ze een speciale relatie tot de gezegenden hebben: kinderen.
• Soms doen ze dat anderen, zelfs andersgelovigen (b.v. de Farao van Egypte).
• Geregeld speelt een sterk element van intimiteit mee: lijfelijke aanraking.
• Ze doen dat op speciale momenten in hun leven of dat van de gezegenden; het lijkt erop dat ze die gelegenheden bewust creëren: rituelen scheppen.
• Ze doen dat meestal ‘op maat’ en geregeld met een profetische blik.

We bekijken een paar bijbelverhalen wat nader:

Laban
Wellicht kwam dit soort ‘zegenen’ ook buiten de kring van ‘gelovigen’ voor; zie eens hoe Laban, die geestelijk toch een dubieus persoon is, samen met zijn moeder zijn zus Rebecca zegent, als die met Abrahams knecht naar het Beloofde Land vertrekt. Zie ook hoe de Farao, officieel de zoon van Egypte's Oppergod, kennelijk bereid is om de zegen van de oud geworden Jacob aan te nemen, dankbaar te ontvangen. Het ziet ernaar uit dat ‘andersgelovigen’ zulk zegenen (of z'n tegenbeeld: het vervloeken) ernstig namen.

Izaák
In Genesis 27 lezen we het relaas van Izaäk, die per abuis Jakob zegent in plaats van Ezau. In het verhaal lezen we hoe Izaäk zijn favoriete zoon de vaderlijke zegen wil geven. De reden is dat hij (vermoedelijk ten onrechte) meent dat hij spoedig zal sterven. ‘Nu dan, neem toch uw wapentuig, uw pijlkoker en uw boog, en ga uit, het veld in en schiet voor mij een stuk wild; bereid mij dan een smakelijk gerecht, zoals ik het gaarne heb, en breng het mij, opdat ik ete; dan zal ik u zegenen.’ (Genesis 27:3,4) Izaäk acht zich kennelijk gerechtigd om, zelfs zonder raadplegen van zijn eigen vrouw, een van hun kinderen te zegenen. We lezen ook niet dat hij van Godswege de opdracht krijgt om dat te doen. Het is in die zin kennelijk ‘een eigengecreëerd ritueel’. We lezen van intimiteit en lijfelijke nabijheid:’Kom toch dichterbij en kus mij, mijn zoon.’ Waar Izaäks verzoek om hem te mogen ‘betasten’ (21) mogelijk voortkomt uit onzekerheid van de blinde man aangaande de identiteit van zijn zoon, is dat element afwezig in de vraag naar lichamelijke intimiteit. We lezen over de geur van Ezau die uit Jacobs ‘geleende’ kleren opstijgt. Alle zintuigen zijn op de een of andere manier bij deze zegen betrokken.
Verder valt op dat Izaäk kennelijk wel vrij is om een zegen uit te spreken, maar niet om hem terug te nemen.
‘Hebt gij voor mij geen zegen overgehouden?’, is de smartelijke vraag van Ezau, als het bedrog, te laat, wordt ontdekt. ‘Hebt gij slechts deze ene zegen, mijn vader?’ Izaäk bevestigt dat: ‘Zie, ik heb hem tot een heerser over u gemaakt, en al zijn broederen heb ik hem tot knechten gegeven, en van koren en most heb ik hem voorzien; wat kan ik dan voor u doen, mijn zoon?’ Dus niet de intentie telt, zodat Izaäk kan zeggen: ‘Alwat ik heb gezegd geldt voor Ezau; de woorden hebben een kracht in zichzelf, die niet beheerst wordt door degene die die woorden uitgesproken heeft.

Bileam
Hetzelfde horen we ook in Numeri 23 en volgende waar de magische ziener Bileam, geen lid van Gods volk en geen gelovige in onze zin van het woord, persoonlijk gekweld elke suggestie van de getergde Moabitische koning Balak moet afwijzen: nu hij Israël heeft gezegend, is er geen manier om dat ongedaan te maken. De woorden met ook voorspellende inhoud hebben eigen kracht en kunnen niet naar believen ongezegd worden gemaakt.

Jacob
In Genesis 48 en 49 zegent Jacob/Israël zijn (klein)zonen. Er zijn diverse interessante trekjes: Jacob kiest zelf een heel significant moment: hij weet dat hij gaat sterven. Als stervende patriarch heeft hij een heel eigen gezag: hij ontbiedt hen aan zijn sterfbed. Er is geen gelijke verhouding, maar die van (groot)vader en kinderen. Hij behoudt zich zelfs het recht voor de volgorde in de kinderrij te wijzigen: de oudste kleinzoon Manasse wordt gepasseerd ten gunste van de jongste Efraïm. Er is ook sprake van intimiteit, van kussen en gekust worden, omhelzingen, van handen die op hoofden worden gelegd: gewenste intimiteit!
In de ontmoeting met zijn zonen spreekt hij hen persoonlijk aan. Hij haalt heel wat ‘oud zeer’ op, geeft daar voor het eerst of bij herhaling zijn commentaar op, besluit met een definitieve beoordeling van hun handelwijze en geeft een analyse van hun individuele karakter. Tot zover lijkt dat behoorlijk op een vergelijkbaar afscheid van geliefden in de familiekring. Anders wordt het (dunkt me), als Jacob spreekt over een toekomst die er nog niet is: hij roept die feitelijk tot aanzijn. Zie Genesis 49:1, waar Jacob zegt: ‘Komt bijeen, opdat ik u bekend make, wat u in toekomende dagen wedervaren zal.’ Die toekomst wordt ten dele bepaald door hun karakter en eigenschappen, maar een doorslaggevende rol speelt Gods visie en handelen. Deze zegen is overigens geen rechtstreekse voorspelling, maar een werkelijkheid die waar kàn worden. En zeker gaat het om zaken van groot gewicht en van belang voor het (geloofs)leven van alle dag.

Een grote sprong?
Zonder te suggereren dat deze voorbeelden het gehele onderricht van de Schrift op dit punt uitputten, zou ik wat opmerkingen willen maken. In drie gevallen waarin gezegend wordt, lijkt dat te gebeuren door privé initiatief.
God gébiedt het niet en vérbiedt het evenmin. Het is een initiatief van de betrokkenen. Ik zie het, terecht of ten onrechte, als vergelijkbaar met ‘geloften’ die men in het oude Israël aflegde, een vorm van ‘privé devotie’ naast alles wat in Israëls cultus voorgeschreven was. Er waren geloften die men vrijwillig kon afleggen, zonder daartoe verplicht te zijn.
Er was geen verplichting behalve die om je gegeven gelofte na te komen. Het mocht op zich dus wel, was een legitieme invulling van je geloof in de Almachtige. Inderdaad moeten we citeren dat ‘het mindere door het meerdere gezegend wordt’. Hebreeën 7:7 is een commentaar op de episode in Genesis 14, waarin Abraham door de mysterieuze koning Melchizedek gezegend wordt. Als het meerdere het mindere zegent, zou dat gegeven kunnen wijzen in der richting van vorsten, priesters, profeten, gezagsdragers die van Godswege anderen mogen zegenen. Tegelijk lezen we daar m.i. weinig of niets over dat zegenen exclusief aan dat soort relaties verbonden zou zijn. Wellicht is het onze invulling.
Waar de Bijbel een en andermaal spreekt over het priesterschap van alle gelovigen en zegenen bij uitstek tot de taak van de priester behoort, zouden wij wellicht met evenveel recht mogen concluderen dat ook wij elkaar - onder bepaalde omstandigheden stelligkunnen en mogen zegenen. Maar wel graag in een gezond kader! Gods zegen is geen ‘strooigoed’ dat wij naar eigen willekeur zouden kunnen uitdelen aan wie er, emotioneel of anderszins, behoefte aan heeft. Kijk eens naar het enorme potentieel aan gevaar dat het in zich heeft, als de onevenwichtigen of dwepers in de gemeente zich er meester van gaan maken, en links en rechts zegen gaan rondbrengen. Potentieel ten kwade is er stellig, maar zou dat àlles zijn wat erover te zeggen valt? Als we merken hoeveel mensen echt hunkeren naar contact, als we constateren dat voor velen geloven vooral te maken heeft met wat je voelt en ervaart, als geloven in God te maken heeft met het verwerven van besef van geborgenheid in Hem, is het dan op voorhand te explosief om vragen te stellen over deze zegen? Of moeten we gewoon zonder meer ‘zegenbereid’ zijn? We zijn, dat mag duidelijk zijn, bepaald nog niet met het onderwerp klaar.

Ex. 39:43, Deut. 33:1, Lev. 9:32,33 (met Aäron), Jozua 14:13 1 Sam. 2:18-21 2 Sam. 19:29, 2 Sam. 6:18, 1 Kron.16:2 1, Kon. 8:14,55, 1 Kon. 8:66
2007-2014 Persvereniging Opbouw