13 april 2001, jaargang 45, nummer 8
Artikel 004631
Moderne rituelen (2) Je huis opdragen aan God? P.J. van Kampen Als er iemand overlijdt, gebeurt het tegenwoordig nogal eens dat de kist niet meer wordt gedragen door dragers van het uitvaartcentrum, maar door bijvoorbeeld (klein)zonen van de overledene.
Steeds vaker merk ik dat niet de familieleden als eersten afscheid nemen van de gestorvene, maar dat zij juist als laatsten de plek verlaten waar ze de geliefde dode aan de aarde hebben toevertrouwd. Alle anderen gaan eerst langs de kist.

Meer dan vroeger beginnen mensen hun periode in een nieuw huis met een specifiek feest voor familieleden en vrienden (en eventueel nieuwe buren), een festijn dat onder de goed Nederlandse naam van ‘house warming party’ z'n opmars door de vaderlandse cultuur begonnen is. Ik constateer dat allerlei mensen daar een goed gevoel bij hebben en reserveer er (met lichte twijfel) het woord ‘rituelen’ voor. De mensen om ons heen blijken gevoelig voor rituelen, wellicht meer dan vorige geslachten, al zou ik niet weten hoe je zo'n opmerking staven moet.
Ik meen dat ook in christelijke kring op vergelijkbare wijze nieuwe benaderingen van de werkelijkheid te vinden zijn, heel opvallend of bijna onmerkbaar. Vandaar deze poging om enkele daarvan eens te belichten. Voorzover ik het kan beoordelen, is een aantal zaken in dezen meer op ‘evangelisch erf’ aan te treffen dan in reformatorische kring, maar of dat dat zo blijft, is nog maar de vraag.

Een nieuw huis
Ik meen te constateren dat vooral onder evangelisch bevleugelde mensen de gewoonte aan het ontstaan is om na verhuizing naar een nieuwe woning samen met familieleden, vrienden, broeders en zusters, het huis ‘op te dragen’ aan de Here God. Vroeger werd zoiets niet zelden door Roomse pastoors of hun kapelaans gedaan; met gebeden en vooral met wijwater is menige plek ingezegend of ingewijd. Dat wijwater ontbreekt in het evangelische milieu totaal, zou ik zeggen!
Inwijding is dan ook geen ‘ambtelijke’ zaak. Laat ik vertellen wat ik zelf anderhalf jaar geleden heb gedaan.
Op dat moment was mijn leven innerlijk turbulent, want, zoals dat zo onsympathiek heet, ik ‘lag in scheiding’. Na anderhalf jaar gekweld zoeken naar nietseen weg de toekomst in, had ik een geschikt huis gevonden. Er was met behulp van vrienden en gemeenteleden in korte tijd erg veel werk verzet; bij de ‘house warming party’, die ik ook grootscheeps heb gehouden, waren wel zo'n 35 harde werkers aanwezig. Er was erg veel reden tot dankbaarheid. Dat was echter voor mij niet het einde.
Een klein groepje vrienden is een paar dagen later met me het huis doorgegaan; in alle kamers hebben we gebeden dat dat plaatsen mochten zijn, waar Gods goedheid en genade op de een of andere manier ervaarbaar mochten zijn, dat Hij daar geëerd mocht worden en ze ook gasten dit als een plek van rust en geborgenheid mochten ervaren.
Waar de Here God in ons leven centraal komt te staan, is er immers voor mensen ruimte en geborgenheid mogelijk. Juist dan!

Ervaarbaar
We hebben over dat bidden, dat in alle ongehaastheid, plaatsvond, pak weg een uur gedaan en zo elk van die woonruimtes aan Gods eer toegewijd; bewust hebben we Hem gevraagd ons (mijn jongste dochter en mezelf) ervaarbaar nabij te zijn. Overigens, toiletten, badkamer, opbergruimtes en de schuur werden - om voor de hand liggende redenen - bij dit alles overgeslagen. Voor alle duidelijkheid, die vrienden waren gekomen, omdat ik hen daar expliciet voor uitgenodigd had. -Na een turbulent en moeizame periode in mijn leven, waarin ik mijn weg weer moest zoeken, had ik daar zelf wezenlijke behoefte aan.
Zonder enige twijfel gaat het hier om een subjectieve zaak; er is geen enkele verplichting voor alle christenen om hetzelfde te doen, zoals, naar ik meen, er ook geen dwingende reden is om te zeggen dat zoiets gewoon niet mag!

Harmonie
Heeft het wat uitgewerkt? Die vraag is lastig te beantwoorden, maar ik constateer dat ongebruikelijk veel mensen op een of andere manier hebben gezegd dat ze in de huiskamerde meesten komen niet verder - zich lekker voelden en er een element van harmonie ervoeren. Uiteraard heeft dat ook met je inrichting te maken, die door menigeen kennelijk als aangenaam ervaren wordt. Er hebben al heel wat mensen hun hart uitgestort, zoals dat uiteraard op veel andere plaatsen ook gebeurt. Of dat het hele verhaal is weet ik niet. Als je over dit soort dingen praat, kan je daaruit, als je wilt, uiteenlopende conclusies trekken.
Zelf meende ik dat het goed was om de bewoning van dit huis zo te beginnen; ik ben op die mening niet teruggekomen, maar zou de laatste zijn om te zeggen dat iedereen dat dan zo moet doen. Niet in het minst!
Het hoort naar mijn besef veeleer thuis in de sfeer van de oudtestamentische ‘geloften’, waar Israëlieten onverplicht, uit eigen inzicht, hun dienst aan de Here God, hun aanhankelijkheid aan de Almachtige mochten vormgeven. Geen verplichting dus, maar ook geen verbod, al werd stellig door de geestelijke leidslieden gewaakt voor uitwassen van al te subjectieve geloofsbeleving.

Bijbels onderricht
Een wellicht gemakkelijker vraag valt te stellen: moeten we dit wel een ‘ritueel’ noemen, en zo ja, is dat dan iets nieuws? En vooral: is het ‘bijbels’? Laat de Here God Zich door dit soort gebeden leiden? Is zijn aanwezigheid überhaupt te verbinden met een bepaalde plaats? - Bestaan er plekken waar de Here God meer of juist minder aanwezig is? Zijn er ‘goede’ en ‘kwade’ plekken op deze aarde te vinden?

‘Schuldig land’?
Van de Nederlandse schrijver/dichter Armando, die jarenlang in Berlijn woonachtig is geweest is de uitspraak bekend dat het land rond een voormalig concentratiekamp ‘schuldig land’ zou zijn. Draagt die uitspraak méér over dan een gevoel dat land om een concentratiekamp deelt in het kwaad dat daar verricht is? Wat te denken van – geestelijk - gevoelige mensen die op bepaalde plaatsen een zekere beklemming niet van zich kunnen afschudden, en later vernemen dat er inderdaad ooit iets ergs op zo'n plek is gebeurd? Een vriend van me, die ik als een zeer overtuigd christen heb leren kennen, maar ook als een man met sterke geestelijke ervaringen, vertelde me dat hij eens samen met een vriend op een Noordengelse camping verbleef. Die nacht had hij de meest afschuwelijke dromen! Toen hij de volgende dag opmerkte dat er iets verschrikkelijks op die plaats gebeurd moest zijn, keken Britten hem ietwat medelijdend aan en vroegen: ‘Weet u niet dat de Battle of Otterburn zich op deze plek heeft afgespeeld?’ In de Middeleeuwen hadden Schotten en Engelsen hier op zeer bloedige wijze slag geleverd. Is het mogelijk dat bepaalde mensen zelfs eeuwen later iets van dat alles ‘oppikken’? Zo ervaren mensen op plekken waar al eeuwenlang tot God gebeden is en zijn lof is gezongen, in middeleeuwse kerken of kloosters, soms een zeer sterke rust.
Allemaal subjectief?

Voor alle duidelijkheid, ik heb zelf nooit iets van deze aard meegemaakt, geloof ik, maar ik ken dus mensen, sobere gelovigen die dat wèl hebben ervaren, soms diverse malen, onweerlegbaar. Opnieuw daarom de vraag: kan een bepaalde plek inderdaad iets goeds of iets kwaads laten ervaren? Hechten bepaalde gebeurtenissen, goed of kwaad, zich ooit aan specifieke plekken?
Straalt een kerk waar eeuwen in gebeden en gezongen is, waar Gods Woord eeuwenlang gepreekt is, iets uit? Is het geloof bij wijze van spreken in de steen getrokken? Of is dat allemaal subjectieve onzin, die nergens op stoelt?

Schotland
Het is al jaren geleden dat ik een verhaal van vergelijkbare aard hoorde. Ik woonde en studeerde toen in Schotland, waar ik veel christelijke vrienden kreeg en allerhande verhalen hoorde, die me toen ongewoon, en soms onwaarschijnlijk voorkwamen. Eén zo'n verhaal, dat ik van diverse mensen onafhankelijk van elkaar gehoord heb speelde op de Schotse eilanden Lewis en Harris, waar in het begin van de jaren '50 een echte opwekking plaats vond. Volgens 't verhaal werd onder de vrij bevindelijke bevolking - ze pasten qua theologie het meest bij Gereformeerde Bonders of de Oud-
Gereformeerden - een paar keer een onverklaarbare verschijnsel waargenomen dat op Gods majestueuze Aanwezigheid leek te wijzen. In één verhaal ging het om een viertal ‘verharde zondaren’, dronkelappen en nietsnutten, die van al die als een lopend vuur om zich heenslaande ‘nieuwe vroomheid’ niets moesten hebben.
Haast elke avond werd wel ergens een bidstond gehouden, vaak in een of ander tamelijk verlaten boerderij.
In de kroeg gezeten besloten de vier dat ze die avond wat plezier zouden maken met de ‘holy terrors’ in hun ‘fijne’ bidstond. Zo gezegd, zo gedaan. Ze slopen 's avonds naar de eenzame boerderij waar toen bidstond werd gehouden, bonkten onverwacht op luiken en ramen, maakten veel misbaar en vermaakten zich kostelijk! Tot ze besloten naar binnen te gaan en nog meer plezier te maken. ‘Nauwelijks waren we binnen of we ervoeren allen een machtige Aanwezigheid’, vertelde een van hen later, ‘die onverdraaglijk was, ons op de knieën duwde, waarop we zowel nuchter werden als krachtdadig bekeerd!’ Van de vier zouden twee later vooraanstaande oudsten in hun kring geworden zijn, terwijl de twee anderen predikant zijn geworden. Alle vier zijn ze ‘doorgegaan met de Heer’, zo werd me verteld. Als dit op waarheid berust, is dat een merkwaardig verhaal dat ook voor ons onderwerp een zekere mate van richting suggereert.

Grens
Dat we hier aan de grens van rationele waarneming gekomen zijn moge duidelijk zijn. ‘Verlichtingsdenkers’ kunnen met zo'n verhaal niet uit de voeten! Is daarmee voor ons daarmee het laatste woord gezegd? Sluit het misschien aan bij de ervaring van de priesters die bij de inwijding van de Tempel van Jeruzalem het gebouw moesten verlaten, omdat Gods Aanwezigheid voor hen onverdraaglijk werd?
In 1 Koningen 8:10 staat het zo: ‘Toen de priesters uit het heiligdom naar buiten traden, vulde een wolk het huis des HEREN, zodat de priesters vanwege de wolk niet konden blijven staan om dienst te doen, want de heerlijkheid des HEREN had het huis gevuld’. In 2 Kronieken 5:13,14 staat hetzelfde vermeld. Is er ook later een min-of-meer vergelijkbare ervaring van die overweldigende heiligheid mogelijk?

Plekken van Gods heiligheid?
Vrome Joden zullen nog steeds de Tempelberg niet beklimmen, omdat ze zonder het te weten hun voeten zouden kunnen zetten op de plek waar eens het Heilige der Heiligen was. Het Joodse Opperrabinaat heeft onderaan de toegang tot de Tempelberg borden laten plaatsen waarin gewaarschuwd wordt voor deze mogelijkheid. De heiligheid van God, de ‘kabod’, Gods heerlijkheid, ‘rust’ immers op de een of andere manier nog op die plek, gelooft men. Het is voor bepaalde Joden een ‘heilige plaats’, op ongeveer dezelfde manier als waarop Jakob te Bethel opmerkt: ’Waarlijk, de HERE is aan deze plaats, en ik heb het niet geweten’ (Genesis 28:15). Hij vreesde en stelde de steen waarop zijn hoofd had gerust ‘tot een opgerichte steen en goot er olie bovenop’. En later keert hij ernaar terug. Veel meer is over dit thema te zeggen dat ik hier voorlopig ongezegd laat. Ik durf niet te stellen dat al deze overwegingen bewust een rol hebben gespeeld bij het verlangen om zo ons huis aan de Here God toe te wijden. Toch is zeker sprake van een bewuste keus. Of alles daarin even diep onderbouwd is laat ik aan de lezer over; hij of zij mag het zeggen.
2007-2014 Persvereniging Opbouw