11 mei 2001, jaargang 45, nummer 10
Artikel 004676
Moderne rituelen (3) Over ziekenzalving en vrede Pieter J. van Kampen Enkele malen ben ik aanwezig geweest bij een bijeenkomst waar concreet voor een zieke gebeden werd en waar hij of zij vervolgens gezalfd werd. In nagenoeg elk van die gevallen was er een predikant bij, die alom gerespecteerd was en qua leer en leven in goede ‘standing’ was bij zijn gemeente. Het waren dus geen omstreden mensen of dissidenten, mensen in de marge van de Christelijke Kerk, die zich hiermee bezig hielden. Ik heb dat in binnen- en buitenland zo meegemaakt en ik was er elke keer diep van onder de indruk.

Met mijn 1.72 meter hoor ik bepaald niet tot de langere leden van de samenleving. In toenemende mate kan ik me identificeren met de woorden van de blinde die in Markus 8:24 na eenmaal door Christus aangeraakt te zijn uitroept: ‘Ik zie mensen als bomen wandelen!’ Als ik die tekst zie, denk ik vaak: ‘Dat zie ik ook dagelijks!’ Op een paar plaatsen had ik die ervaring niét. Ik denk aan China, Mexico en Peru. Het was bij reizen naar die verafgelegen plekken een nieuwe ervaring te merken dat je als ‘kleintje’ daar toch boven de meerderheid der mensen uitsteekt. Een andere ervaring die ik met de bewoners van Latijns- Amerika opdeed was hun ongewone spontaniteit. Het ging daarbij bijna uitsluitend om Indianen, Quechua's die van de Inca's afstammen, in Peru, èn afstammelingen van de beroemde Maya's in Chiapas, het Zuiden van Mexico. Zoals vooral vrouwen en kinderen daar lachen en huilen, was voor mij nieuw. Ik ben ook nergens zoveel gekust als in Latijns-Amerika, tot m'n wangen ervan begon-nen te bladderen. Het was overigens geenszins vervelend!

Afgelegen
Op een van die bezoeken verbleven we in een piepklein Peruviaanse bergdorpje.
We hadden de plek bereikt na een tocht over smalle bergwegen die soms langs diepe ravijnen voerden.
Een keer hebben we ongeveer met één wiel boven de afgrond gehangen, toen ons busje een grote tegenligger op zijn weg vond. Ik heb er eigenlijk nooit verder over nagedacht, maar het is vermoedelijk één van de meest riskante ervaringen in mijn hele leven geweest. Het was uitermate stil in de bus, toen het gebeurde, want we waren ons bewust dat ons leven ermee gemoeid was. In dat kleine dorpje Chakiqpampa, waar geen enkele toerist naar Peru ooit komt (en waarom zou men ook?) werd een bijeenkomst gehouden van ‘Evangelische’ Indianen. Ze waren met een aantal honderden uit de wijde omtrek gekomen. We maakten een aantal toespraken mee, hoorden van die prachtige muziek: gitaren (vihuela's), slagwerk en (pan)fluiten die je bij ons soms op stations of in winkelstraten hoort (meestal door mensen uit Ecuador uitgevoerd) en probeerden met gebarentaal met hen in contact te komen. Ze waren best geëmotioneerd, toen we daar aankwamen; men leefde, zoals gezegd, in verregaand isolement in de hooggelegen vlakten of dalen van de Sierra, de Andes. Veel contact met geloofsgenoten van elders kende men niet. We waren bijzonder welkom!

Larry
Toen we daar rondliepen, werden alle groepsleden bij elkaar geroepen door Larry, een boomlange voorganger uit Houston, die als geen ander boven die kleine mensen uitstak. Ik had maar één keer eerder iemand met een vergelijkbaar vet Amerikaans accent horen praten, en die kwam ook uit Texas. Hij had een groot hart als maar weinigen bezitten, was uitermate toegewijd aan de zaak des Heren, en hanteerde een voor mijn besef soms archaïsch taalgebruik. Ik herinner me hoe hij ons bij elkaar riep door over het grote terrein waar we stonden te praten met zijn stentorstem te bulderen: ‘Saints, please come to me!’ Ik ben in mijn leven, behalve gekscherend, zelden als een der ‘heiligen’ aangesproken, maar hij gebruikte die term zo serieus als maar kon. Hij werd omstuwd door zeker honderd extraverte Quechua vrouwen, maar was desondanks uitermate goed zichtbaar. We liepen op hem af en hoorden zijn verhaal: ’Hier is een vrouw die me vroeg of ik met haar wilde bidden, want ze is ziek. Toen ik dat deed, kwamen al deze andere vrouwen erbij en ze willen ook dat ik voor hén bid. Sommigen zijn ziek, anderen leven onder zeer kommervolle en psychisch zware omstandigheden.
Komen jullie erbij staan, dan verdelen we dat gebed. Als er zijn die speciaal gezalfd willen worden, dan heb ik hier olijfolie!’ Wel, dat is een mooie gelegenheid om aan ziekenzalving te wennen, om daar dan in te participeren, zonder dat je enige bedenktijd krijgt om op dit punt je positie te bepalen. Uiteraard werd het aan de vrouwelijke leden van de groep overgelaten om te bidden voor vrouwen met een specifieke vrouwenkwaal; je moet vanzelfsprekend ook daarin regels in acht nemen die samenhangen met plaatselijke zeden en gewoonten én met de universele regels die gelden voor man vrouw verhoudingen. Tegelijk herhaal ik: men is in die cultuur niet heel terughoudend!

Dat doe je dus...
Dus heb ik dat ook gedaan. Ik zou het niet gewaagd hebben om het niet te durven! Dat Larry als charismatische voorganger met deze zaak concreet ervaring had hielp uiteraard wel. Heel natuurlijk, organisch zelfs, bid je voor mensen, in jouw taal waar zij geen woord van snappen, zoals jij van hun eeuwenoude Indianentaal niets begrijpt.
(Behalve ‘Amen’! Zoals een andere Amerikaanse voorganger ooit zei: ’Er zijn maar drie ècht internationale woorden: 'Amen, Halleluja en Coca Cola!’) In die plotseling ontstane context bid je voor mensen van wier kwalen je niets weet, zoals je überhaupt van hun levensomstandigheden haast niets weet. Je vraagt aan de Almachtige of hij deze arme, ook kansarme, mensen zegenen wil, zijn goedheid aan hen wil tonen en zijn gaven van heelmaking, op elk gebied, aan hen wil uitdelen. Zo heb ik dat gedaan en zo zou ik het opnieuw doen, als me dat gevraagd werd.

Gebed en zalving
Ziekenzalving. Als je daar plotseling voor komt te staan, kun je je niet achter vragen verschuilen als: ‘Ik weet niet wat daarvoor de meest geschikte zalf is!’ Alsof Gods genezing afhankelijk zou zijn van onze keus van olie...
Alsof Gods genade en goedheid berust op ons correct omgaan met rituele handelingen. Niemand gelooft dat immers. In Jakobus 5:15 wordt wel gerept van ‘gelovig gebed’; dat lijkt feitelijk het enige dat we hoeven mee te brengen.
En toch: in Jakobus 5:14 wordt gewoon gezegd dat een lijder de vrijheid heeft (niet de plicht!) om de oudsten te roepen voor gebed en voor zalving met olie. Die zin is nooit exegetisch omstreden geweest, voorzover ik weet.
Ook heeft nooit iemand, dacht ik, met plausibele argumenten kunnen aantonen waarom dat nu niet meer zou gelden. Toch: het is onder ons geen gebruik.
Vaak doen we dat kennelijk niet.

Initiatief
Wie weet gebeurt het echter ook in onze kerkelijke kring meer dan we vermoeden. Een paar exegetische en/of praktische opmerkingen moeten hier wel bij geplaatst worden. Ten eerste lijkt het me toe dat de tekst niet zonder reden zegt dat de zieke zèlf het initiatief tot de samenkomst moet nemen. De zieke moet de oudsten ‘tot zich roepen’. Ik heb in de eigen gemeente zelf wel eens het initiatief tot zoiets genomen, uiteraard in overleg met mijn kerkenraad. Achteraf weet ik niet of dat wel juist was. Zonder te zeggen dat het ‘een bijbels gebod’ betreft dat de zieke zelf de vraag moet stellen, lijkt het me ook om psychologische redenen veel beter, als daar het initiatief ligt. In de tweede plaats zegt de tekst dat ‘de Here hem/haar zal ‘oprichten’. Op zich ligt, mijns inziens, niet perse de betekenis van ‘weer gezond maken’ hierin besloten, maar wèl dat die betreffende zieke ‘verder kan’. Bovendien zal ‘het gelovige gebed’ de lijder ‘redden’; ook al zou iemand niet van zijn of haar kwaal verlost worden, en toch sterven, ook dan heeft die ceremonie diepe zin. Ik geloof dat er mensen zijn die van ernstige ziekten of zelfs dodelijke kwalen zijn genezen. De Here God is daartoe immers bij machte! Maar ook als dat niet gebeurt, is in veel gevallen een diepere rust, een besef dat men ondanks alles veilig in Gods hand is, een stuk bemoediging ook, het gevolg van de ziekenzalving.
Het is m.i. echter te overwegen dat het woord ‘redden’ versmald wordt, als het alleen ‘genezen’ betekent. De uitwerking van zo'n ritueel betreft niet alleen het lichamelijk functioneren, maar ook het psychische, emotionele en mentale welbevinden van de zieke. Daarvan zijn, vermoed ik, legio voorbeelden te geven, als we ze kenden! Want Gods woord keert nooit ledig terug, maar werkt altijd uit waartoe het is uitgegaan, zegt Jesaja. Je mag ervan uitgaan dat er iéts gebeurt!

Uiteenlopende gevolgen
Zo waaiert het gevolg uiteen, voorzover ik kan zien. De Anglicaan C.S. Lewis die rond zijn zestigste pas trouwde, merkte dat zijn vrouw Joy (Davidman) al spoedig aan ongeneeslijke botkanker leed. Zoals in de Anglicaanse kerk meer te doen gebruikelijk is dan bij ons, hebben zij toen ziekenzalving aangevraagd, van de parochiepriester.
Joy is inderdaad aan die kwaal overleden, maar ze heeft bijna anderhalf jaar langer geleefd dan haar als kans door de artsen was aangezegd. Zelf hebben ze die extra levenstijd aangemerkt als gebedsverhoring.
Ik ken meer van die verhalen, zoals ik ook weet heb van gevallen waarin zoiets nièt is gebeurd. Maar de vrede ‘die alle verstand te boven gaat’ is hun vaak wèl gegeven. Ook in L'Abrikring heb ik eenmaal meegemaakt dat we zo hebben gebeden voor een zeer geliefd staflid die aan kanker bleek te lijden. Daaraan is ze ook overleden, maar ons samenzijn, in alle ernst en ook aanhankelijkheid, heeft haar lijden zeker verlicht, menen degenen die haar ook in die slotfase van haar leven hebben gekend.

‘Toegevoegd effect’
Ook heeft het inderdaad ‘toegevoegd effect’, als ik het zo noemen mag, dat iemand met olie gezalfd is, ongeacht uiteraard welke olie het betreft. Zoals de doop een uiterlijke zichtbaar en ervaarbaar ‘teken en zegel’ is, zoals dat gebeurt met de ‘tekenen’ van brood en wijn, zo wordt met de olie op het voorhoofd of elders op het lichaam en met de liefdevolle aanraking van de Here Zelf iets ‘tastbaar’ en ‘ervaarbaar’ gemaakt. Dat heeft de zieke op zo'n moment nodig. We mogen dat in de naam van de Heer aanbieden. Ik geef toe dat het gebeuren in Jakobus' brief is geplaatst in de context van de oudsten en de plaatselijke gemeente.
Ik ben er niet uit in hoeverre je dat mag uitbreiden tot situaties buiten de gemeente en mag laten doen door anderen dan de bij Jakobus genoemde ‘oudsten’. Het is boeiend om buiten dat vertrouwde verband plotseling met die vraag te worden geconfronteerd, zoals mij in het verre Peru plotsklaps overkwam. Want laten we wel wezen: wij kunnen dan letterlijk ‘met kop en schouders uitsteken’ boven deze kleine mensen, het valt nog te bezien of we, geestelijk gezien, zover boven hen uitsteken... Als ik de mate van toewijding aan Christus van veel van die mensen zie, dan betwijfel ik dat zelf in hoge mate.

Boek
Een goed boek over dit thema is dat van de Hervormde predikant dr Mart Jan Paul. Vergeving en Genezing.
Ziekenzalving in de Christelijke Gemeente. Sprekend over deze dingen zegt hij onder andere dit: ’vanuit het Nieuwe Testament zijn geen algemene regels te geven hoe in een bijzondere situatie gehandeld moet worden. De dienst der genezing vindt daar op allerlei wijzen plaats. Het gebed zal het eerste middel zijn dat we mogen gebruiken. Biddend om de wil van God te verstaan zullen we ook handoplegging of ziekenzalving mogen overwegen.’ 1)

1) Uitgave Boekencentrum. Zoetermeer. 1997, tweede druk 1999. p.127.
2007-2014 Persvereniging Opbouw