18 februari 2000, jaargang 44, nummer 4
Artikel 004712
Een komende storm? 3a. De fundamentalistische ideologen P.J. van Kampen Als een rechtvaardige groep mensen, met visie en staatsmanschap, de politieke macht uitoefent en volledig gebruik maakt van het bestuursapparaat van de regering en alle mogelijkheden die daar liggen aanwendt voor het uitvoeren van een weldoordacht plan van nationale wedergeboorte, dan ben ik ervan overtuigd dat binnen een tijdsspanne van tien jaar het hele leven van dat land totaal veranderd kan worden. Abul-'Ala' Mawdudi 1)

De vorige keer zijn hun namen al genoemd, denkers van de islamitische revolutie.We volgen hen op hun denkweg. Hun levenseinde (elk van hen is intussen overleden) geeft te denken. Tenminste drie zijn gewelddadig aan hun einde gekomen. 2)

1. Al-Afghani (1839-1897)
De enige 19e-eeuwer in het gezelschap is Jamal al-Din al-Afghani, die geboren werd en leefde in het Brits-Indische Rijk. Naar verluidt is hij in Afghanistan geboren, maar op jeugdige leeftijd Brits-Indië zijn vertrokken.
Daar leerde hij het Britse kolonialisme en imperialisme haten. Om die reden werd hij uit zijn geboorteland Afghanistan, Turkije en Egypte verdreven, toen hij zijn boodschap van haat daar kwam preken.
Maar dat was aanzienlijk later. Voor Al-Afghani, nog "een stem roepende in de woestijn", waren anti-imperialisme en streven naar de (politieke en militaire) hernieuwing van de Islam onafscheidelijk.
Alleen als er weer een machtige Islam zou zijn, kon het goddeloze Westen adequaat geconfronteerd worden met de Wil van Allah. Zijn geschriften zijn vertaald in het Arabisch en hebben een volgende generatie ideologen geïnspireerd.
De grondlegger der Moslim Broederschap in Egypte, is zeker gestimuleerd door die eerste stem van islamitisch protest.

Zelfstandigheid
Zulke stemmen zouden meer kracht en effect krijgen, naarmate meer landen met een overwegend islamitische bevolking zelfstandigheid verwierven. Dat waren:

1943-1945 Libanon en Syrië
1946-1949 Jordanië, Pakistan (eerst een deel van Brits-Indië) en Indonesië
1950-1955 Egypte en Libië
1956-1960 Soedan, Marokko. Tunesië, Maleisië, Somalië, Niger, Tsjaad, Senegal, Mali, Nigeria en Mauritanië
1961-1965 Koeweit, Algerije en de Malediven
1966-1969 Zuid-Jemen
1990-1995 Oezbekistan, Kazakstan, Turkmenistan, Kirgizië, Azerbeidzjan en Tadzjikistan

Juist in 'bezette' gebieden bloeide het fundamentalisme (zoals wij dat nu noemen) welig. Twee landen met een moslimse bevolking waren niet onder dat westerse juk gekomen, maar hadden wel (uiterst bewust) een 'westerse' vorm van secularisatie overgenomen: Turkije en Iran. In die landen was de invloed van de moskee op de staat drastisch afgenomen; in het eerstgenoemde land was het zelfs tot een scheiding van moskee en staat gekomen, door het onvermoeibaar ijveren van de Turkse Vader des Vaderlands, Kemal Atatürk, die géén vrome moslim heten mag!

2. Mawdudi (1903-1979)
We vermelden twee landen als vroege broedplaatsen van moslim-fundamentalisme.
Het eerste zuurdesem van moslim-fundamentalisme was te zien in Brits-Indië en in het later daarvan afgesplitste Pakistan, een hoofdzakelijk door Islamieten bewoond gebied. De eerste belangrijke 20e eeuwse fundamentalistische denker Abdul-'Ala Mawdudi werd geboren in de Indiase stad Hyderabad. Zijn vader was jurist en zodanig in het Britse bewind teleurgesteld dat hij zijn zoon liet opvoeden in het Arabisch, Perzisch en Urdu. Pas later, toen zijn loopbaan dit gewenst maakte, leerde hij ook Engels. Vader wilde zo de invloed van de westerse cultuur op het denken van zijn zoon tot een minimum beperken.
Op zijn zeventiende (zijn vader was gestorven) begon Mawdudi een journalistieke carriëre die hem grote invloed zou geven.
Tien jaar lang gaf hij diverse bladen uit, waarvan al-Jamia de laatste was; dat was een blad dat men in onze tijd vermoedelijk als 'fundamentalistisch' zou omschrijven.
Het orgaan van de Jami'at al-'Ulama-i Hind (de Associatie van Moslimreligieuzen in India) had een godsdienstige strekking en was fel anti-Brits en anti-Hindoe.
In het begin van de jaren '30 liet hij zijn journalistieke werk grotendeels voor wat het was en verlegde hij zijn activiteit naar meer literair werk en Koran-uitleg. Bijna onmiddellijk na zijn toetreden tot de redactie trok hij de macht in een blad Koran Exegese naar zich toe. Dit blad werd Mawdudi's spreekbuis voor systematische uitleg van een Islamitische wereldorde.
Zijn doel was het blootleggen van het kwaad van de modernistische, westerse uitingsvorm van jahilyia (onwetendheid, ongeloof in God) en het uiteenzetten hoe een juiste Islamitische levensstijl er zou moeten uitzien.
Van groot belang voor Mawdudi's denken was de moord, in 1925, op een hervormingsgezinde Hindoeleider, door een islamitische extremist.
Swami Shradhanand en zijn Shuddi-beweging hadden pogingen ondernomen onderworpen volksmassa's, die slechts nominaal islamitisch waren, te winnen voor hun versie van vernieuwd Hindoeïsme. In de furore die begrijpelijkerwijs ontstond schreef Mawdudi in zijn krant al-Jamia artikelen, die later gebundeld werden onder de titel Jihad, Heilige Oorlog.
Toen er vanaf 1937 steeds meer sprake was van de komende onafhankelijkheid van de Britse koloniale meesters, was hij van mening dat het leiderschap van de moslims niet echt te vertrouwen was: natuurlijk wilden ze allen zelfstandigheid voor hun volk, maar ze hadden allen een westerse opleiding genoten en waren dus besmet door de westerse denktrant! Vier jaar lang schreef hij continu over de juiste islamitische kijk op de politieke ontwikkelingen van het moment. Hij raadde iedereen aan om zich niet bij de (later succesrijke) beweging van Mohammed Ali Jinna aan te sluiten en niet naar afscheiding van een islamitisch Pakistan te streven, maar zo integer als moslims te leven dat de grote Hindoebevolking zich alsnog tot het Ware Geloof zou bekeren! In Duitsland en Italië hadden kleine minderheden de meerderheid van hun volk het fascistisch of nationaal-socialistisch gedachtengoed weten op te leggen.
Kon zoiets ook in India niet gebeuren?...
Mawdudi was er bepaald niet van overtuigd dat een volk dat islamitisch was, onder het leiderschap van westers-opgeleide politici, ook de 'islamitische staat' zou gaan vormen die hem voor ogen stond. Hij wilde liever goede garanties voor de rechten van islamitische meerderheden in bepaalde delen van het nieuw te vormen rijk dan een "islamitisch" land met andere politieke idealen dan de zijne...

Discriminatie
Er moet goed onderscheid komen tussen moslims en niet-moslims, meent Mawdudi. De laatstegenoemden moeten duidelijke rechten krijgen, volgens de shari'a. Ze zijn niet geheel rechteloos, maar krijgen een tweederangs status, want alleen moslims mogen in de regering zitting nemen.
Desondanks wonnen zijn politieke tegenstanders in 1945 een daverende overwinning en was de feitelijke opsplitsing van het land in twee religieusbepaalde delen een feit. (De prachtige film van David Attenborough Gandhi geeft een goed beeld, zij het nogal partijdig, van de enorme woelingen die in die jaren voorkwamen.) Tussen 1941 en 1947 was Mawdudi's organisatie, die dus glansrijk de eerste ronde van de politieke strijd verloor, bezig met het opzetten van kaders, organiseren van studie en politiek-religieuze bewustwording. Vanaf de onafhankelijkheid in 1947 tot 1956, toen pas de Grondwet van het nieuwe land vaste vorm kreeg, hebben Mawdudi en de zijnen er alles aan gedaan om echt een "theocratie"
in Pakistan ingevoerd te krijgen. Die theocratie moest een "sterk gecentraliseerde structuur" worden, die "langs dictatoriale lijnen bestuurd worden, met behulp van een sterk leger". De in het land talrijke Ahmadyia moslims, een "ketters" geachte groep moslims, werden vooral door toedoen van zijn strengreligieuze aanhang feitelijk buiten spel gezet. Uitdagende uitspraken over de status van Kashmir (periodiek herhaald en pas nog door de vliegtuigkapers rond de jaarwisseling geuit) kwamen het eerst uit hun mond. Mawdudi's aanhang werkte ondergronds verder, toonde afkeer van politici die niet "recht in de leer waren" en steunde de radicalere elementen in landsbestuur.
Hun grote kans kwam, toen in 1977 een staatsgreep plaatsvond en generaal Zia ul-Haq aan de macht kwam. Zijn progressieve voorganger Zulfikar Ali Bhoetto werd door de Zia onderworpen rechterlijke macht ter dood veroordeeld en daadwerkelijk opgehangen. 'Islamitisch Socialisme' was onbestaanbaar en werd afgeschaft.
Tot de mysterieuze dood van Zia (hij kwam om bij een vliegtuigongeluk en is bijna zeker door anderen bij zijn heengaan geholpen) had Mawdudi's lijn stellig de wind in de zeilen. Bepaalde wetgeving, zoals de 'blasfemiewetgeving', zijn van zijn hand. Als de doodstraf wordt uitgesproken om "belediging van de Profeet" (zelfs aan een kind dat niet eens kon schrijven!) is dat geheel in Mawdudi's lijn.
Mawdudi's club is duidelijk een pressiegroep gebleken bij de poging de wetgeving te herstructureren langs 'islamitische' lijnen (zoals Mawdudi die ziet, uiteraard). Een poging om een 'islamitisch banksysteem' te introduceren komt uit dezelfde hoek.
Na Zia's dood is het land door veel turbulentie heengegaan. Nu recent weer een militaire staatsgreep is uitgevoerd, is het nog onduidelijk wat de koers van Pakistan gaat worden. Wel is duidelijk dat 'fundamentalisten' nog steeds grote invloed hebben. Zo heeft de studentenafdeling van Mawdudi's partij paramilitaire status. Er is gewapende presentie aan de universiteiten, meldt Bill Musk.

3. Hassan al Banna (1906-1949)
Ook in Egypte ontstond een bloeiend fundamentalistisch islamitisch kader: de Moslim Broederschap.
Oprichter en gids (murshid) van die Al-Ikhwan al-Muslimun was Hasan al-Banna. Zijn vader was een vrome moslim, klokkenmaker en auteur van diverse boeken over de islamitische wetgeving; hij was aan de befaamde Al-Azhar Universiteit van Cairo afgestudeerd.
Van het stadje Mahmudiya in de Nijldelta vertrok de jonge Hasan naar Cairo voor vervolgstudie; in 1927 studeerde hij af als docent Arabisch.
"Banna's vier jaar als student in Cairo bevestigden zijn besef van roeping; hij ervoer dat de Egyptische jeugd een zeer verbasterde vorm van Islam onderwezen kreeg." Negentien jaar, tot 1946, doceerde hij. Eerst gebeurde dat in Ismailiya, een stad aan het Suezkanaal; daar ervoer hij het verschil in voorrechten tussen de Britse koloniale machthebbers en bewoners van de inheemse wijk. Ook hij ging het Westen haten.
Met zes anderen, ook gefrustreerd door de overheersing van moslims door de ongelovigen, arbeiders in het Britse territorium, legde Banna een eed af dat hij een strijder voor de boodschap van de Islam zou zijn. Aan het eind van de jaren '20 begon zo de Moslim Broederschap. De eerste jaren werden besteed aan openbare discussie: vooral jonge mensen moesten worden overreed dat ethische en maatschappelijke hervormingen nodig waren. In de jaren 30 ontwikkelde de Broederschap zich tot een sterk verpolitiekte club, die in 1940 zo'n 500 afdelingen had, ieder met een eigen centrum, moskee, school, club of thuisindustrie.
Aanzienlijke aantallen studenten, ambtenaren, arbeiders in de stad en op het platteland hadden zich bij hen aangesloten.
In de jaren vlak na de oorlog werd de Egyptische overheid aangespoord om tegen de Britten de jihad, de heilige oorlog, uit te roepen. Ook werden aanhangers naar Palestina gestuurd om aan de strijd tegen de Zionisten deel te nemen. Vanwege het radicalisme verbood de regering de Broederschap. De hiervoor verantwoordelijke minister van Binnenlandse Zaken werd enkele maanden later door een Broeder vermoord.
Als vergelding werd al-Banna van dichtbij doodgeschoten, op straat, door leden van de Geheime Dienst, zoals later bleek. De leider was zo een shahid, een martelaar, geworden; voor regeringen zijn dat lastige tegenstanders...
Tijdens zijn relatief korte leven had ook al-Banna gewezen op de noodzaak om in zijn land een Islamitische Orde te scheppen.
Westerse wetgeving diende door de sharia te worden vervangen. Dat was de belangrijkste eis.
Al-Banna wilde wel de weg van de geleidelijkheid bewandelen.
Ondertussen was Jihad wel een plicht van Godswege. Als mensen toch sterfelijk zijn, waarom dan niet sterven in dienst van de Islamitische 'wereldrevolutie'? Jihad kan ons immers het leven kosten...

1) Geciteerd uit Khursid Ahmad red. Islamic Law and Constitution. Islamic Publications. Lahore. 1967. p.109.
2) Bill Musk. Passionate Believing. The 'fundamentalist' Face of Islam. Monarch Publications. Tunbridge Wells. UK. 1992.

2007-2014 Persvereniging Opbouw