9 januari 1998, jaargang 42, nummer 1
Artikel 004811
Een verhaal uit China P.J. van Kampen Toen ik een jaar geleden in Hong Kong verbleef, sprak ik met iemand die veel studie maakte van de manier van preken, in de hele wereld. Een van zijn stellingen was: er moet meer in de vorm van ‘gelijkenissen’ worden gepreekt! Op die wijze zal het gehoor zich sneller de vraag stellen: wat wordt er met dit verhaal eigenlijk bedoeld? Predikers leggen te snel de bedoeling en toepassing van een Bijbelgedeelte aan hun gemeente voor. Ons verkondigen van de Boodschap moet minder geijkt. Toen ik hem om een voorbeeld van deze door hem bepleite aanpak vroeg, gaf hij dit (waargebeurde) verhaal. Het vond ongeveer 10 jaar geleden plaats in China. Wie bijbehorende Bijbelgedeelten wil lezen, wordt verwezen naar Genesis 1, Genesis 9 en Marcus 4.

Ik wil het verhaal vertellen van Li Qua Zjao die in zijn stad Loyang bekend stond als 'Meneer Vijftien procent', vanwege de uitzonderlijk hoge rente die hij altijd voor alles rekende. Hij was een handelaar op de zwarte markt, berucht om zijn hard en onbuigzaam zakendoen. Hij verdiende het meeste geld met het smokkelen van oude beelden en andere vondsten die in zijn stad Loyang boven de grond kwamen; dat is namelijk een keizersstad geweest, twaalfhonderd jaar geleden. Een van de beroemdste vorstelijke geslachten heeft er gewoond; er hadden toen enorme paleizen gestaan die alle verwoest waren; ze zijn met de grond gelijk gemaakt. Maar in de grond zit nog van alles; dat was overal bekend.
Kostbare stukken ook, als je ze wist te vinden en de kanalen had om ze te verhandelen. Li Qua Zjao zorgde er voor dat oudheden die 's nachts opgegraven werden, veilig naar de grote havenstad Hong Kong vervoerd werden, verborgen onder lagen steenkool aan boord van binnenschepen die dagelijks de rivier bevoeren. Als ze in Hong Kong waren, bereikten ze kopers in de hele wereld, die veel geld over hadden voor die beroemde voorwerpen uit de Tang dynastie. En zo werd hij rijk, een van de rijkste en de meest gevreesde mensen in zijn stad.

Klopjacht op criminelen
In het reusachtige China met zijn ongelooflijk grote bevolking - 1,2 miljard - worden door de overheid geregeld campagnes uitgevoerd die maar één doel hebben: het beteugelen van de ook daar soms ernstige misdaad. Dan wordt er in één plaats of in één district een soort klopjacht op alle (echte of vermeende) misdadigers gehouden.
Die worden met honderden tegelijk door de politie opgepakt, er komt 'n massaproces en de meesten ervan worden gewoon voor het vuurpeloton gezet; dat brengt of houdt de schrik bij de rest er wel weer even in! Dan valt er weer in de krant te zetten dat er opmerkelijk succes geboekt is bij de misdaadbestrijding ...
Li Qua Zjao vernam op een slechte dag via een corrupte beambte bij de politie, dat er binnenkort zo'n campagne opgezet zou worden in Loyang! Daar zou zijn naam ongetwijfeld ook bij zijn ... Voor het eerst in zijn leven werd hij echt bang! Wat moest hij doen? Hij was genoeg in zijn land thuis om te beseffen dat hij, als die campagne er ook inderdaad zou komen, geen schijn van kans zou maken om de dans te ontspringen! Niemand zou voor hem een goed woord doen. Hij was bekend als de bonte hond. Hij was berucht en gevreesd. Hij had meer vijanden dan vrienden ...

Wat voor zin?
Toen voor het eerst dacht hij na over de toekomst en hij werd haast godsdienstig! Hij dacht na over de zin van het leven, iets dat hij nog nooit eerder gedaan had. Omdat in de communistische staat er weinig mensen over waren, die openlijk godsdienstig waren, ging hij tenslotte naar een oude Chinese priester van wie bekend was dat hij in een God geloofde. Hij was een Roomskatholieke priester, die vroeger jarenlang in de gevangenis gezeten had, maar was vrijgekomen en leefde in bijna totale afzondering diep in de bergen. Hem ging Li Qan Zjao opzoeken en het leek er even op dat hij het met die man goed getroffen had. De priester zei echter iets raadselachtigs: "De enige God die ik ken is de God die spreekt, die huilt en die slaapt!" Toen hij dat hoorde, dacht Li: "Dat lijkt me niet de God die ik zoek!" Maar de ander vroeg: "Wat voor God zoek je eigenlijk?"

De God die spreekt
Daar moest Li eens even over nadenken, maar toen zei hij: "Ik zoek een God die groot is! Een God die mijn problemen voor me kan oplossen. Ik ben echt uitgekeken op de traditionele Chinese goden, want ze lijken me te klein voor wat ik zoek! Ze zorgen eigenlijk niet genoeg voor de wereld. Ik wil een God die groot is en aan Wie je wat kan overlaten!"
Daarop zei de oude man: "Dan wordt het tijd dat je kennis maakt met 'de God die spreekt'! Schaf een Bijbel aan, lees dan het eerste hoofdstuk en je merkt wel wat ik bedoel." Li scharrelde op de zwarte markt een Bijbel op en begreep meteen wat de oude man bedoeld had. In dat eerste hoofdstuk kom je immers steeds weer datzelfde refrein tegen: "En God zei!" Hij besefte dat God had gesproken en dat daarom de hele aarde ontstaan was. De bergen waren door Gods hand omhooggestuwd, de bossen hadden zo zich uit de aardbodem ontworsteld, de zeeën hadden hun enorme watermassa's gekregen. Het was allemaal gebeurd door de God die zijn Woord had gesproken. Li dacht: "Ongelooflijk! Hij heeft er niet eens zijn hand voor hoeven uitsteken!" Dat een God zo'n beheersing over het heelal kon hebben ... Daar was hij een tijdlang heel tevreden mee.

De God die huilt
Toen maakte hij wat 'Oeroerds mee. Een van zijn vriendinnen gaf hem een nogal ellendige opdracht. Ze had een kind gekregen en dat was helaas een meisje! (Nu moet je weten dat men in China per echtpaar maar één kind hebben mag; qat is een hardvochtig beleid dat verdere overbevolking moet tegengaan.) Omdat ze per se als enig kind géén meisje wilde - ook dat is een gevoelen dat je-in heel China tegenkomt - had ze het kind eigenhandig gewurgd en of Li Qan Zjao met zijn vele contacten ervoor wilde zorgen dat dat lijkje verdween? Zo stond Li op een donkere nacht alleen in een veld en dumpte het kind zonder meer in een drooggevallen put. Toen hij naar de sterren keek, dacht hij: "Dit is een harde wereld. Het kan best zijn dat God de wereld eens mooi heeft gemaakt. Geeft Hij nog steeds om deze wereld?"
Dus vertrok hij weer naar de oude man en zei: "Het is hier wel allemaal heel vredig en stil, maar ik woon in de stad en daar is het heet en het stinkt en mensen maken elkaar af. Hebt u daar een antwoord op? Geeft God echt om ons of heeft Hij ons in de steek gelaten?" De ander zei: "Het wordt tijd dat je de God leert kennen die huilt!" Lees vooral door. En zo las hij al gauw het verhaal van Noach, Genesis 6 tot 9. Hij begreep het eerst niet goed en dacht: "Misschien is het wel een soort Symbool.
Bedoelt die oude man te zeggen dat God boos was, dat zijn tranen de regen zijn die alle kwaad wilde laten sterven? Hij houdt zo van de wereld dat Hij iedereen naar het leven staat die iets slechts met de wereld wil gaan doen. Hij houdt zo van de wereld dat Hij 't toch nog een nieuwe kans wil geven - door het water heen." Dat troostte hem een beetje en hij las weer door.

De God die slaapt
Toch viel het lezen hem niet zo mee. Hij las over Gods verbond en over goede of slechte koningen. God strafte sommigen, maar Hij zegende anderen. Hoe moest hij dat uitleggen? Toen kwam er een contact bij hem die zei: "Er is hier iemand uit Beijing; hij werkt bij de Veiligheidsdienst. Hij heeft een lijst bij zich van mensen die terechtgesteld moeten worden. Jouw naam staat bovenaan!" Daar schrok Li natuurlijk hevig van; omdat hij nu eenmaal de Bijbel aan het lezen was, ging hij er toch mee door, maar de inhoud beviel hem hoe langer hoe minder. Hij kreeg de indruk dat God eigenlijk behoorlijk bloeddorstig was. Hij dacht: "Deze God is niet beter dan alle goden die ik al kende. Hij is ook uit op mijn bloed! Hij zal me bepaald niet helpen, nu ik in een anti-corruptiecampagne opgepakt ga worden!" Dus ging hij nog eens naar de oude man en vroeg: "Zeg, staat die God van u wel écht aan mijn kant? Ik heb heel veel gedaan waar ik spijt van heb, maar ik krijg niet de indruk dat Hij veel mededogen met me heeft. Hij wil, geloof ik bloed zien; het laatste woord bij Hem is gerechtigheid."
De oude man zei: "Dan wordt het tijd te gaan lezen over de God die slaapt". En hij wees hem op de passage in Marcus 4: Jezus die aan boord van een schip is gegaan en de storm kalmeert. Li kende dat soort verhalen wel - de Boeddha of Confucius of een andere Chinese wijze hebben ook wel soortgelijke dingen gedaan in de Chinese verhalen.
Toch was er iets wonderlijks aan dit verhaal. Jezus sliep! Wat zat daar achter? Als Hij inderdaad timmerman was, een landrot, dan had Hij alle reden om enorm in zijn rats te zitten bij zo'n geweldige storm. Als die ervaren vissers, die elke dag op zee hun leven waagden, geen cent meer voor hun leven gaven, hoe was het dan toch mogelijk dat zo'n landrot in slaap kon vallen en blijven slapen? Dit was een bulderende storm! Was Hij alleen maar moe? Er moest een andere reden zijn waarom Hij lag te slapen ...

Dezelfde!
Toen viel hem op dat de leerlingen door Jezus verweten werd dat ze bang waren geweest. Maar wat kon je anders verwachten? Dat was toch het meest vanzelfsprekende in de wereld? Hoe kon je in -zo'n situatie geen angst hebben? Als je wil overleven, moet je voor de zee ontzag hebben! Waarom werd dan verweten dat ze bang waren geweest? Die vraag liet hem niet los.
Toen herinnerde hij zich plotseling een vers uit het verhaal van de Zondvloed, waar staat dat God een wind liet komen die de wateren bedaarde en hij besefte opeens: "Maar het gaat om dezelfde God! Die wind en golven gemaakt heeft, die lag ook in die boot. Daarom was Hij niet bang!" Omdat Hij God was, was het voor Hem het meest simpele zaak in de wereld om de storm die Hij zelf gemaakt had bevelen dat die moest gaan liggen. Daarom lag Jezus natuurlijk te slapen Hij hoefde helemaal niet bang te zijn "

Bij mij in de boot
Die gedachte ontroerde hem. Hij begreep iets van het grote dat God hem zo kon liefhebben. Hij probeerde de stad te ontvluchten maar hij werd ontdekt en opgepakt. Na een proces van een week, werd hij ter dood veroordeeld.
Eerst moest hij de gevangenis in. De oude priester hoorde het relaas en zocht hem in het gevang op.
Ze konden tussen de tralies door toch met elkaar spreken. De priester vroeg: "Heb je met de God kennis gemaakt die slaapt?" En Li Qan Zjao zei: "Ja, Hij zit bij mij in de boot. De storm zal me daarom geen kwaad doen." Ongeveer een week later werd Li Qan Tzao uit de cel gehaald, op een grauwe morgen. Men zette hem, samen met vijf anderen, tegen de muur. Het vuurpeloton schoot een salvo op hem leeg. Een bulldozer schoof zijn lijk in een graf dat tevoren was gegraven. Maar de storm deed hem geen kwaad.

NB Met excuus naar Chinese vertellers die de inhoud misschien heel anders hadden weergegeven.
2007-2014 Persvereniging Opbouw