5 februari 1999, jaargang 43, nummer 3
Artikel 004873
2. Propaganda? Was Lukas een betrouwbaar historicus? P.J. van Kampen Als we voor onze informatie over de situatie in Palestina ten tijd van de Romeinse bezetting van dat gebied uitsluitend waren aangewezen op wat daarover in de vier evangeliën te vinden is, dan zouden we een volstrekt verkeerd, vertekend en verdraaid beeld krijgen: Jezus, een Joodse prediker, voortdurend in conflict met allerlei Joden in zijn omgeving; een Romeinse stadhouder die zich manifesteert als een sympathiek twijfelaar en Jezus vergeefs tegen zijn Joodse belagers probeert te beschermen; een anonieme Romeinse officier die samen met zijn manschappen bij het kruis als enige tot het inzicht komt dat Jezus ’waarlijk Gods zoon’ was, terwijl de Joodse omstanders alleen maar spottende opmerkingen maken.
Het heeft allemaal weinig te maken met geschiedenis.

F.J.A.M. Meijer en M.A. Wes
Begon ik het vorige artikel met vermelding van gevoelens van acuut onbehagen t.a.v. een recent gelezen boek, ook deze keer is dat de inzet van mijn verhaal.
Het betreft bepaalde passages in de inleiding op Flavius Josephus’ werken De Joodse Oorlog en Uit mijn Leven. Dat uitermate bekende werk is aan het begin van de jaren ’90 opnieuw uitgegeven. Uitgeverij Ambo heeft er een fraai boekwerk van gemaakt, het eerste in een geprojecteerde serie van vier delen.
Voor wie dat wat zegt, de serie lijkt qua uiterlijk wat op de werken uit ’De Russische Bibliotheek’ die Uitgeverij Van Oorschot destijds uitgaf. Dat is geen geringe lof voor een werk! Is de uitvoering voortreffelijk, de vertaling goed leesbaar en vermoedelijk wetenschappelijk verantwoord, het notenapparaat de moeite waard en de inleiding informatief, plotseling stuit je dan op zulke passages waar de Evangeliën door het zuurbad van de scepsis zijn heengegaan en, naar het besef van de auteurs, al doende ook geheel zijn verdampt...

Propaganda geschriften
Want hoe zou je hun uitleg anders kunnen duiden? Beide auteurs, ten tijde van hun publicatie hoofddocent bij de werkgroep Oude Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en hoogleraar in hetzelfde vak aan de Groninger Universiteit, geven onverbloemd uiting aan hun afwijzing van de betrouwbare historische waarde van de vier Evangeliën.
Na de boven geciteerde uitspraak gaan ze verder: „Nu is er vaak genoeg op gewezen dat de verhalen van de vier evangeliën niet bedoeld zijn als geschiedverhalen en dus ook niet als getuigenis van historische waarheid of van een streven naar historische waarheid gelezen mogen worden. Het zijn geloofsgetuigenissen, het gaat om het kèrygma, merkt men dan op, en die opmerking is juist. Kèrygma is het Griekse woord voor verkondiging. Het gaat erom een bepaald geloof te verkondigen en zo te verspreiden. Het Latijnse woord voor geloof is fides.
Geloof verspreiden heet in het Latijn propagare fidem. Anders gezegd, de evangeliën hebben eerder het karakter van propaganda geschriften dan van beschrijvingen van een historische werkelijkheid.” (p. 14) Iets verderop lees ik: „De evangeliën mochten dan niet bedoeld zijn als geschiedschrijving, in de praktijk werden (en worden) ze wel degelijk als geschiedschrijving beschouwd. Maar als zodanig boden ze de gelovigen die dorstten naar meer historische achtergrond en details niet meer dan een paar druppels. Het werk van Josephus was in vergelijking daarmee een waterval.” (15, 16) Dat is dus ’algemeen aanvaard’, begrijp ik, ’common knowledge’. Maar moeten we dat zo gauw aanvaarden? Niet alleen hebben nogal wat andere publicaties veel kritische notities gevonden t.a.v. ’t betrouwbaarheidsgehalte van Josephus, die zgn ’waterval’ aan historische informatie, maar ook zou ik vele geleerden kunnen citeren die bepaald positiever gestemd zijn over de betrouwbaarheid van de Evangeliën!
Geen nood, zullen de critici zeggen, daar hebben we wel een weerwoord op. Dat zijn natuurlijk fundamentalisten!
Boos werd ik namelijk over een passage bij Meijer en Wes over de uitleg van het Nieuwe Testament. Nadat ze (een discutabele) uitleg aangehaald hebben van de Antiocheense Kerkvader Johannes Chrysostomus, die in een preek de woorden ’vijand en wraakzuchtige’ uit Psalm 8 uitlegt als verwijzing naar het volk Israël, dat ondergegaan is in de Joodse Oorlog), merken ze op: „Een fraai geval van knoeien met een (nota bene) Joodse tekst”. En dan komt het: „Afgezien van de fundamentalisten zijn alle nieuwtestamentici van nu het erover eens dat dit soort uitleggingen meer zegt over de uitlegger dan over datgene waarop de uitleg betrekking heeft.” (27) (cursief van mij, PJvK) Die uitspraak, die verder niet wordt uitgewerkt en dus heerlijk suggestief kan blijven nazinderen, legt bij voorbaat een van ’t meerderheidsstandpunt afwijkend standpunt bij de wortels bloot: zulke Nieuwtestamentici zijn ’fundamentalisten’!
Daar hoef je niet eens mee in debat te gaan. Ze hebben hun ziel prijsgegeven aan een van de ergste gesels van de moderne tijd; vergelijkbaar met door hun ideologie, religie of nationalisme tot haat aangezette lieden, die in hun blinde ijver niets ontziend slachtoffers maken. Noem iemand met wie je het niet eens bent een ’fundamentalist’ en je hoeft je nergens meer druk over te maken.
Een zeer aanzienlijke groep uiterst integere wetenschapsbeoefenaars wordt door het woordje ’fundamentalisten’ op voorhand buiten spel gezet! Daartoe horen klaarblijkelijk ook heel wat lieden in het Engelstalige gebied, die – qua wetenschappelijk niveau van hun onderzoek en werken – naar mijn mening met veel ’Bijbelcritici’ de vloer kunnen aanvegen! Want de dogma’s van de Bijbelkritiek hebben, zo moet je vrezen, een deel van de tot dat ’kamp’ behorende geleerden behoorlijk doof en blind gemaakt voor archeologische, epigrafische en andere ontdekkingen.
Ik volg het gebied stellig niet zo nauwgezet als ik zou wensen, maar het lijkt me toe dat aanhangers van Haenchen en Conzelmann lichtjaren achterlopen bij hun kennisname van wat er op door opgravingen op zoveel plekken in de Oude wereld op aarde boven de grond komt.
Bijna alles wat ik op dat gebied recent gelezen heb, komt uit ’evangelicale kring’ – en het is bepaald gedegen!
Je kunt – volkomen zonder onderbouwing – ’Fundamentalisten’ maken van zulke mensen, maar dan gaat het wel om nagepraat en onrijp geventileerd gepraat, dat moet oppassen zelf van ideologische smetten vrij te blijven...

Is het niet zo?
Maar speelt b.v. Johannes zijn critici niet enorm in de kaart? Wat was het motief om zijn Evangelie te schrijven?
„Deze (tekenen) zijn beschreven, opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in zijn naam.” (Johannes 20:31) Dus propaganda...
Om ons bij Lukas te houden (daartoe hebben we ons immers gezet) hééft Lukas dan niet de bedoeling het geloof uit te dragen? Ongetwijfeld is dat zijn primaire doel. Hij wil wijzen op Jezus Christus als de Zoon van God en de Hoop van de wereld.
Daarnaast heeft hij stellig de bedoeling aan Theofilus en met hem anderen die uit de heidenwereld komen te tonen dat de bedoelingen van Christenen niet staatsgevaarlijk waren zoals veel tijdgenoten meenden. Zoals hij zelf ook weergeeft, werd de christelijke beweging op vele plaatsen beschouwd als „een secte die overal tegenspraak vindt” (Handelingen 28:22), op religieuze of politieke gronden. Dat is een zaak die Lukas uiteraard betreurt.
Het kan geen toeval zijn dat hij uitvoerig verhaalt wat er in de Griekse havenstad Korinthe gebeurd is. Daar is door Gallio, een zeer vooraanstaande Romeinse bestuurder, met zoveel woorden uitgesproken dat de Christelijke boodschap geen gevaar voor de openbare orde (en daarmee voor de Staat) vormt. Hij moest als hoge magistraat oordeel vellen over de vraag: Is, van staatswege, zo’n leer als Paulus brengt toelaatbaar? De Joden in Korinthe, die de apostel op iedere mogelijke manier kwijt wilden, brachten Paulus bij de Romeinse overheid aan: „Deze tracht de mensen te overreden om God op onwettige wijze te vereren.” (Handelingen 18:13) Gallio oordeelde, na de zaak nauwgezet te hebben overwogen, echter anders: „Indien er sprake was van enige onrechtmatigheid of misdrijf, zou ik u, o Joden, uit de aard der zaak ontvankelijk verklaard hebben; maar nu het geschillen zijn over een woord en namen en de wet, die bij u geldt, moet gij het zelf maar uitmaken; hierover wil ik geen rechter zijn.” (18:14, 15)

Lukas’ agenda
Die uitspraak neemt Lukas nadrukkelijk op; dat maakt deel uit van zijn agenda.
Later zegt koning Agrippa, die van de Joodse godsdienst veel weet en door de Romeinse stadhouder Festus in zijn verlegenheid geraadpleegd wordt, hetzelfde.
Al weet Festus dat de Joden uit naijver Paulus aanklagen, hij is wel verplicht die zaak serieus te nemen. Als niet-Jood heeft hij echter geen idee hoe hij in die voor hem ’duistere’ kwestie een juist oordeel moet vellen. Agrippa, die op bezoek komt, kan hem helpen door deze merkwaardige gevangene te horen. Agrippa geeft als eindoordeel: „Deze mens had vrij kunnen zijn, als hij zich niet op de keizer had beroepen.” (Handelingen 26:32) Door zijn eigen beroep op de keizer is men verplicht Paulus naar de stad Rome te sturen om voor zijn zaak in beroep te gaan bij de keizer zelf. Maar hij is duidelijk nergens schuldig aan! Natuurlijk is Lukas er als de kippen bij om ook deze uitspraak te citeren. Er ligt voor hem een duidelijk belang in het optekenen van opinies of uitspraken van ’politieke of culturele smaakmakers’.

Ook historisch betrouwbaar!
Niettemin heeft Lukas ook – en met veel nadruk – gezegd dat het hem te doen is om ’nauwkeurig’ nagaan van zijn bronnen; hij is uit op een verslag dat „de betrouwbaarheid van de zaken waarin gij onderricht zijt” kan staven.
(Lukas 1:1-4) Dan kun je ’t je niet permitteren om ’een loopje te nemen met de feiten’, anders dan waar zijn critici (van twintig eeuwen later!) hem nu juist betichten...
We kunnen het ook zo formuleren.
Lukas geloofde dat verlossing in Christus in de geschiedenis geopenbaard was. Zijn interesse ligt niet allereerst bij het ’louter weergeven van de toedracht van de gebeurtenissen’ als doel op zich. Hij is er primair op uit aan te geven welke betékenis deze gebeurtenissen voor onze verlossing hebben.
Hij is niet slechts geschiedschrijver, maar ook theoloog. Maar hij is ook geschiedschrijver!

’Theoloog’ én ’historicus’?
Om nog even terug te keren tot het de vorige keer genoemde boek van Hemelsoet en Touwen, het veronderstelde contrast tussen de ’evangelist’ en de ’geschiedschrijver’ leidt tot hun uitspraak: „We gaan te rade bij een auteur die wij hebben leren kennen als evangelist en dat zal hij blijven ook in tweede deel van zijn werk.” (8) Daarom is hun mening: „Alles wat in de mond van Stefanus gelegd wordt, moet ook gekwalificeerd worden als () onhistorische, eschatologische geschiedenis, ogenschijnlijk op de wijze van geschiedenis, op de wijze van geschiedschrijving, op de wijze van een – soms – onthutsende documentaire. Maar alles is beeldspraak, ook datgene wat op de wijze van geschiedschrijving te lezen wordt gegeven.” (65) ’Beeldtaal’ is het relaas van Petrus’ bevrijding uit de gevangenis (Handelingen 12) en Paulus en Silas’ bevrijding uit de gevangenis in Filippi. (79, 85) Door deze redenatie verdampt de (gepretendeerde) historiciteit van de gebeurtenissen tot nuttige of behartigenswaardige ’lessen voor het heden’, ongeacht of het echt zo gebeurd is of niet! Die gedachte acht ik onwaarschijnlijk, onnodig en eigenlijk ook onhoudbaar. Hij getuigt van een vooringenomen tégen de tekst zoals die er ligt. Eerlijk gezegd acht ik in de hyperkritische bejegening van de tekst een onwetenschappelijk element aanwezig.
Er is sprake van monumentale scepsis; deze ivoren toren valt in de praktijk haast niet te bestormen, zelfs niet met argumenten uit de archeologie etc.
De gevolgen blijven niet uit. Volgens een paar classici hoeft men de Evangeliën niet historisch betrouwbaar te achten.
Een en ander wordt onderbouwd door opvattingen van Bultmann c.s. die m.i. alweer hun beste tijd gehad hebben.
Er is echter sprake van een naijlend effect dat ik in hoge mate betreur.

Flavius Josephus. De Joodse Oorlog & Uit mijn leven, vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door

F.J.A.M. Meijer en M.A. Wes. Ambo.
Baarn. 1992. De citaten zijn vooral te vinden op pp. 14-16.
2007-2014 Persvereniging Opbouw