3 april 1998, jaargang 42, nummer 7
Artikel 004901
3. De Bhagavad Gita het lied van de Heer Hindoeïsme P.J. van Kampen Na de Veda's en de Oeanishaden, waarover de vorige keer gerept werd, moeten we melding maken van twee lange en nog steeds razend populaire heldendichten: de Ramayana en Mahabharata.
Als de televisieserie van bijna honderd afleveringen van het Mahabharata op televisie wordt uitgezonden, blijft het volgens de berichten erg rustig op de doorgaans zo volle straten van India's miljoenensteden! Een deel van dit grote werk, het langste gedicht in de wereldliteratuur, is de zeer invloedrijke en geliefde Bhagavad Gita. 'Het Lied van de Beer', zoals men de titel vertalen kan. Het werk leert nadrukkelijk de opvatting van de reïncarnatie.


Het verhaal vertelt hoe twee legers zich voorbereiden op een slag en hoe de leider van een van de legers, vorst Arjoena, het heel moeilijk heeft bij de gedachte dat bloedverwanten in het andere kamp morgen zullen sterven.
De god Visjnoe komt dan in mensengedaante op aarde: de wagenmenner Krisjna. Incognito neemt Visjnoe deel aan de veldslag en geeft z'n vriend Arjoena onderwijs over de "Werkelijkheid aller dingen".
De Bhagavad Gita wordt, samen met het veel grotere heldenepos waaruit het dus genomen is, door de meeste geleerden gedateerd tussen 300 voor en 300 na Chr. Het werk leert met nadruk het thema van de 'wedergeboorte' c.q. de reïncarnatie. Krisjna, die over 'goddelijk inzicht' in de werkelijkheid beschikt, leert een en andermaal dat mensen (en alle andere levensvormen) niet éénmaal leven, maar vele malen op aarde terugkomen, in steeds een ander lichaam.
Daarin sluit het dus aan bij de leer van de Oepanishaden, die er in de tijd aan vooraf gaat. Leren de Oepanishaden echter een onpersoonlijk godsbegrip, een soort bovenpersoonlijke 'Wereldorde', de Bhagavad Gita is een uiting van de zgn.'Bhakti'-stroming, die verering van 'god', in dit geval Visjnoe/Krisjna, wil propageren.

Getob
In de Bhagavad Gita wordt verteld hoe er strijd ontstaat onder de mensen en hoe de god Visjnoe, een 'menslievend' god, tot de aarde nederdaalt, om recht en gerechtigheid te herstellen. Dat doet Visjnoe geregeld, zij het niet zeer frequent. Hij komt op aarde als de godheid Rama (zie het epos de Ramayana). In zijn avatar (nederdaling) Krisjna komt Visjnoe tot mensen in de gedaante van de wagenmenner, een van de deelnemers aan de strijd. Arjoena gaat onder de gedachte gebukt dat morgen door zijn toedoen mensen zullen sterven. Krisjna wekt hem op om zijn taak naar behoren te vervullen en moedig te vechten.

Wederbelichaming als goddelijk onderwijs
Het is immers onmogelijk de onsterfelijke ziel ('het zijnde') van mensen te doden en dat is het enige dat uiteindelijk telt! De mensen die morgen gedood zullen worden komen weer in een volgende levenscyclus terug.
Arjoena moet daarom zijn plicht doen. Een paar van Krisjna's uitspraken uit de Bhagavad Gita: "De wijzen die de waarheid zien, erkennen dat het niet-zijnde niet blijft en het zijnde niet vergaat. Zij kwamen tot deze slotsom na onderzoek van het wezen van beide. Weet dat hetgeen waarvan het hele lichaam doordrongen is onvernietigbaar is. Niemand is in staat de onvergankelijke ziel te vernietigen. Alleen het stoffelijke lichaam van het onvernietigbare, onmeetbare en eeuwig levende wezen is aan vernietiging onderhevig; daarom - vecht, 0 telg van Bharata." "Zoals iemand zijn oude, versleten kIeren wegdoet en zich in nieuwe steekt, laat de ziel het oude, nutteloze lichaam achter en hult zich in een nieuw." (Bhagavad Gita 2:22) "Vele, vele geboorten hebben zowel jij als Ik beleefd. Ik kan Me ze allemaal herinneren, maar jij niet. Waar en wanneer ook maar de dienst van God in verval raakt, 0 telg van Bharata, en goddeloosheid de overhand neemtdaar en te dien tijde daal Ik Zelf neer.
Om de toegewijden te bevrijden en de goddelozen te verdelgen en om de beginselen der godsdienst te herstellen, verschijn Ik Zelf in tijdperk na tijdperk." (Bhagavad Gita. 11:16-18,22; IV:5,7,8.) Krisjna, die voor Arjoena niet meteen herkenbaar is als god in mensengedaante, geeft de vorst dus inzicht in de Uiteindelijke Werkelijkheid. Een van de diepste inzichten die hij onderricht, is de leer dat men steeds opnieuw geboren wordt. In dit leven, waarin een mens veel lijden doormaakt, moet hij de volstrekte vrede en 'onaangedaanheid' verkrijgen en bewaren. Hij moet daarom 'onthecht', van alle aardse bindingen los, door het leven gaan. De gerespecteerde Hindoe-denker Acharya Vinoba Bhave spreekt over 'drie grote waarheden' in de Bhagavad Gita. Dat zijn "ten eerste, dat de geest niet sterven kan en ondeelbaar is. Ten tweede, dat het lichaam vergankelijk is. Ten derde, dat svadharma niet kan worden opzij gezet."2 ('Svadharma' is zoiets als je plicht in dit leven, zoals dat in je karma vastligt.)

Het diepste is nooit echt te doden
Bhave geeft commentaar op de tekst: "Zoals de mens oude kleren uittrekt en nieuwe aandoet, zo legt de ziel die van 't lichaam is losgekomen, oude lichamen terzijde om nieuwe aan te doen." Krisjna's onderricht legt iets vast dat voor Hindoes van groot belang is. Hij zegt Arjoena dat het lichaam wel sterfelijk is maar de ziel niet! "Het onware is nooit; het Echte is nooit niet. De waarheid is door allen, die de waarheid kunnen zien, herkend. In zijn schepping heengeweven is de Geest aan gene zijde van de vernietiging. Niemand kan een eind maken aan de Geest die eeuwig is. Want aan de tijd ontheven bewoont hij deze lichamen, hoewel deze lichamen op hun tijd een einde hebben; maar hij blijft onmeetbaar, onsterfelijk. Daarom, grote strijder, zet uw strijd voort. Als iemand denkt dat hij een ander doodt, en de ander denkt dat hij gedood wordt, kent geen van beiden de wegen der waarheid. Het Eeuwige in de mens kan niet doden; het Eeuwige in de mens kan niet sterven. Het wordt nooit geboren en het sterft nooit. Hij is in Eeuwigheid; hij is eeuwig. Nooitgeboren en eeuwig, aan vervlogen tijden en aan toekomende tijden ontheven, sterft hij niet, als het lichaam sterft. Als iemand zichzelf kent als nooit-geboren, eeuwig, nooit-veranderend, alle vernietiging voorbij, hoe kan die man een ander doden of zich door een ander laten doden?"
Vinoba geeft als commentaar: "Men moet zich ook twee andere principes bewust te zijn: 'Ik ben niet dit sterfelijke lichaam; het lichaam is alleen maar de buitenste bedekking.' En: 'Ik ben die geest die niet sterft, die niet kan worden verdeeld, die alles doortrekt.' Kijk, dit lichaam verandert ieder ogenblik. Wie is niet opgenomen in de cyclus van kinderjaren, jeugd en ouderdom? De moderne wetenschap vertelt ons dat elke zeven jaar ons hele lichaam verandert, en dat zelfs geen druppel van ons oude bloed overblijft. Dit lichaam, dat ieder ogenblik verandert, is dat uw ware vorm?
Waarom zegt u dat alleen wat met uw lichaam te maken heeft van u is?
Waarom bent u zo ontroostbaar bij het sterven van het lichaam? De Heer vraagt: 'Mijn vriend, is de vernietiging van het lichaam echt reden tot verdriet?' ['De Heer' is hier uiteraard Krisjna.] Dit lichaam lijkt op iemands kleren. Als oude kleren verslijten, gaan we op zoek naar nieuwe kleren. Als een lichaam voor altijd aan de ziel vastzat, zou die ziel in een trieste situatie verkeren; hij zou niet meer groeien, zijn vreugde zou verdwijnen, en het licht van de kennis zou zwak worden. Daarom mag het afsterven van een lichaam geen reden tot smart zijn. Inderdaad, als de ziel kon sterven, zouden we veel reden tot smart hebben. Maar de geest is onvernietigbaar; het is een ononderbroken, altijd stromende rivier."
In dat bekende boek gaat het steeds daarom over de noodzaak om niet uit het lood geslagen te raken, je geestelijk evenwicht niet te verliezen bij de gedachte aan de naderende dood.
Geen nood, er komen andere levens, zoals er ook al eerder levens zijn geweest. De opmerkingen van Krisjna zijn bedoeld om Arjoena te troosten.
Volgens het boek hebben ze op Arjoena ook die uitwerking gehad. Hij neemt zijn 'svadharma' met moed op zich; hij is bereid om zijn bloedverwanten te doden, omdat ze dan toch weer in andere gedaante op aarde zullen terugkeren.
De twee wegen Niettemin is dat nog niet alle onderricht in de Bhagavad Gita betreffende de noodzaak om te worden wedergeboren. Ik citeer hiervoor nogmaals uit de Gita: "Hoor nu van een tijd van licht, wanneer Yogi's naar het eeuwige Leven gaan en hoor van een tijd van duisternis, wanneer zij naar dood op de aarde terugkeren. Als zij heengaan in de vlam, het licht, de dag, de heldere weken van de maan en de maanden van toenemend licht van de zon, dan gaan zij die Brahman kennen tot Brahman. Maar als zij in de rook, de nacht, de donkere weken van de maan heengaan of in de maanden waarin het licht van de zon afneemt, treden zij het licht van de maan binnen en keren ze naar de wereld van de dood terug. Dit zijn de twee paden die er eeuwig zijn: het pad van het licht en het pad der duisternis. Het ene leidt naar het land vanwaar men nooit terugkeert; het andere voert tot de smart terug." (VIII. 23-26)3 Het commentaar op deze passage, in een paragraaf van een hoofdstuk dat de titel draagt 'de dood is de grootste guru', luidt als volgt: "De mens verlaat deze wereld of via het Pad van licht, het Pad waarlangs geen terugkeer mogelijk is, of via het Pad van de nacht, dat hem uiteindelijk zal terugvoeren naar de menselijke geboorte, zegt de Gita (VIII,23-28). De hele uiteenzetting klinkt bijzonder mysterieus, alsof de mens het tijdstip van zijn dood zou kunnen kiezen." Het is echter een vergelijking, zegt het commentaar: "In de eerste helft van het jaar bevindt de zon zich op het noordelijke pad; het is de periode van licht. Nadat hij het zuidelijke pad heeft genomen, stapelen moessonwolken zich op boven India en na het regenseizoen worden de nachten langer en hangt de rook van de haardvuren boven de dorpen.
Het is de periode van duisternis.
De tijd van de wassende maan zijn de twee heldere weken; de maan neemt af in de twee donkere weken. Dit alles betekent: sterf niet in de wolken van onwetendheid! Verknoei uw leven niet in de duisternis van lediggang, maar benut uw dagen om uw geest door het vuur van toegewijd handelen te bevrijden van de rook van de gehechtheid, teneinde uw hart te openen voor het heldere licht van kennis. Als u zo leeft, zult u op uw laatste ogenblik in een staat van verlichting verkeren - u zult weten hoe u moet sterven. Het is uw leven dat bepaalt of u huilend of glimlachend heengaat.'"
De volgende keer De volgende keer moeten we proberen eens een paar zaken op een rij te zetten. Wat leren Hindoes? Waar kunnen Christenen met hen meegaan en waar verschillen we blijvend en fundamenteel van elkaar? Juist omdat het Hindoeïsme zo'n sterk toegenomen invloed hebben, ook in het Westen, lijkt het me nuttig om wat elementen van het Hindoeïsme nader te onderzoeken en dat te doen in het licht van de Bijbel. Want het gaat om belangrijke zaken die ons leven nu en in eeuwigheid raken.

Noten:
1. Geciteerd uit:A.C.Bhaktivedanta Swami Prabhupada. De Bhagavad Gita zoals ze is. Deel 1. The Bhaktivedanta Book Trust, Amsterdam; zJ., pp.79; 210-217.

2. Acharya Vinoba Bhave. Talks on the Gita. Allen and Unwin. London, 1960; pp.25-28

3. The Bhagavad Gita. II.15-21. vertaling en inleiding door Juan Mascaro.
Penguin, Harmondsworth, 1962; pp.49,50

4. Sylvia Amold/ Swami Jrishanand Saraswati. De Bhagavad Gita in het dagelüks leven. De Driehoek, Amsterdam, 1989; p.59.

Zie ook mijn Na het Laatste Uur. Geloof in Reïncarnatie en Christelijk Geloof Kok-Voorhoeve. Kampen. 1994. (Het restant van de voorraad wordt binnenkort opgeruimd.)
2007-2014 Persvereniging Opbouw