19 februari 1999, jaargang 43, nummer 4
Artikel 004927
3. Evangelist en Geschiedschrijver Was Lukas een betrouwbare geschiedschrijver? P.J. van Kampen Het gaat (in het relaas van Filippus en de Moorman) niet om de beschrijving van een plaats, maar om de aanduiding van een omgeving. Men moet niet de vraag stellen aan welke van de mogelijke wegen tussen Jeruzalem en Gaza gedacht wordt. ’Ethiopië’ is het rijk van Napata-Meroë dat vroeger de fantasie (en de politiek) bezighield.
Lukas heeft echter geen aardrijkskundige of volkenkundige interesse.
Hans Conzelmann1

Lukas was alleréérst evangelist, en zijn ’geschiedschrijving’ stond in dienst van zijn boodschap, is de stelling van een aantal hedendaagse Nieuwtestamentici.
Als Prof. Hans Conzelmann, hoogleraar aan de Universiteit van het Duitse Göttingen, gelijk heeft, wist Lukas niet veel van aardrijkskunde en interesseerde ’t hem ook niet in hoge mate! In de eerste editie (1963) en in de tweede (1972) van zijn commentaar op Handelingen, een internationaal befaamd commentaar, betoont Conzelmann zich een zeer erudiet man, die in heel beknopt bestek enorm veel overhoop kan halen. Dat doet hij in dermate geconcentreerde vorm dat (in de woorden van een van mijn vrienden) zijn opmerkingen eerst als een ’maggiblokje’ voor consumptie verdund moet worden.

Zeer kritisch
Conzelmann heeft ook voortdurend kritische bedenkingen tegen het boek Handelingen, met name t.a.v. de historische betrouwbaarheid van het boek.
Om een indruk te geven van zijn werkwijze en conclusies doe ik een willekeurige greep uit zijn kort, in telegramstijl gehouden, notities.

Bij Handelingen 1:9-11, het relaas van de twee mannen in witte klederen bij de Hemelvaart meldt Conzelmann: „Hieraan ligt een traditie ten grondslag, waarvan men de oorspronkelijke vorm niet meer kan vaststellen. Zugrunde liegt ein Traditionsstück” (27)
2:7: „De inkleding in een gesprek met de betrokkenen is Lukas’ vormgeving (’Lukanische Gestaltung’).”
3:11: „De verbinding met het voorgaande is kunstmatig. De B-Tekst probeert de naad te verstoppen en verraadt daarbij dat hij Lukas’ beeld van de Tempel niet meer begrijpt. Hij heeft met Lukas het misverstand gemeen te denken dat de Zuilenhal van Salomo (aan de Oostelijke scheidsmuur in het voorhof der heidenen; zie Flavius Josephus) zich in de ruimte binnen ’de Schone Poort’ bevond.”
4:1-22: „Dit relaas is moeilijk te begrijpen, als men het als historisch betrouwbaar verslag beschouwt. Het wordt doorzichtig, als men het opvat als redactionele bewerking van een bericht waarvan de oorspronkelijke zetting niet meer te reconstrueren valt.”
4:4: „Lukas beschouwt Annas (Hogepriester van 6-15 AD) ten onrechte als de regerende Hogepriester”.
4:7: „De vraag aan de apostel is gesteld vanuit de bedoeling van de auteur van het boek.”
5:13: „De schijnbare tegenspraak tussen vs.13 en 14 komt louter voort uit het onhistorische karakter van de verteller.”
5:36vv.: „De duiding ’Zoon der Vertroosting’ bij Barnabas’ naam is onjuist. Ze zou passen bij Manaen (Menachen), zie 13:1. (Een vroegere commentator) neemt aan dat een notitie hierover abusievelijk bij de naam Barnabas is terechtgekomen.” Bij het relaas van Ananias en Saffira,
5:1vv.: „Ein historischer Kern is nicht zu gewinnen”.
„Het verhaal is onhistorisch”, is Conzelmanns oordeel over de tekst van 8:13: „Simon is verbijsterd, nadat hij al tot bekering gekomen is. Dat komt hieruit voort dat Lukas bij de overgang naar de episode met de Apostelen een aanknoping, een verbinding (met het motief van vers 18vv.) wil teweeg brengen en hier al wijzen wil op de superioriteit van de christelijke macht over het magische.” Bij Petrus’ bevrijding uit de gevangenis (12:2): „We hebben hier een zeer zuiver voorbeeld van ’realistische’ legende-stijl in het NT met de interesse voor details, die zelf een doel van de vertelling vormen, omdat ze stichtelijk (’erbaulich’) moeten werken.” De ’ausführliche Personallegende’ waarvan Conzelmann spreekt heeft dus een ’einen Erzahlungszweck’: het moet mensen aanspreken.

Vooral: het document!
Als we deze opmerkingen samenvatten meen ik het volgende te mogen concluderen: Conzelmann spreekt over het boek Handelingen primair als een document met een lange en complexe ontstaansgeschiedenis. Hij probeert de diverse motieven en wendingen die Lukas, op stilistische of theologische gronden, in zijn document aanbrengt, op het spoor te komen. De ”Redaktionsgeschichte” lijkt steeds weer het doel voor Conzelmann. Hij wil weten: Zijn de bronnen nog te achterhalen?
Welk gebruik is door Lukas daarvan gemaakt? Wat zijn de verdere lotgevallen van de tekst geweest?
Met die grote aandacht voor de overdracht van de bronnen is op zich natuurlijk niets mis. Bovendien krijgt de lezer van Lukas zelf alle kans; Lukas verwijst immers in de eerste verzen van zijn Evangelie al naar het bestaan van bronnen die hij gebruikt heeft. Het is echter wel de vraag hoe Conzelmann vervolgens met de tekst omspringt. Zijn benadering blijkt uniform kritisch. Hij wil eigenlijk nergens weten van Lukas’ historische of geografische betrouwbaarheid.

’Historisch betrouwbaar’
Het probleem dat zich bij de historische betrouwbaarheid meteen aandient is de vraag: hoe weten we zeker dat iets echt gebeurd is? Een zeer behartigenswaardig boek in dezen vind ik het al wat oudere werk (1970) van Howard Marshall, hoogleraar Nieuwe Testament aan de Universiteit van Aberdeen. Zijn Luke: Historian and Theologian is een uitvoerig boek tegen „de valse veronderstelling dat, als Lukas een theoloog was, hij niet tegelijkertijd een betrouwbare historicus kan zijn”. Marshall stelt „dat Lukas zowel een betrouwbaar geschiedschrijver als een goed theoloog heeft kunnen zijn”.2 Ter toelichting: „Als theoloog was Lukas erop gebrand dat zijn boodschap over de woorden en daden van de Here Jezus en ook de ontwikkelingen in de Vroege kerk rusten op betrouwbare geschiedenis. Zijn theologie stoelde daarom op een overlevering, die hij naar zijn beste vermogen kritisch beoordeeld had.
Geschiedschrijving is hier in dienst van zijn theologie gesteld.”2

Welke doelen?
Marshall definieert de taak van de historicus op drie wijzen: in de eerste plaats, als je de geschiedenis bestudeert, scheid je feiten van ’fictie’. Een historicus is alleen geïnteresseerd in echte gebeurtenissen oftewel zaken die echt hebben plaatsgevonden. Ten tweede „is de keuze van de gebeurtenissen door de historicus beperkt tot die gebeurtenissen die deel uitmaakten van, of invloed uitoefenden op, het leven van de mensheid.” Ter illustratie moet dienen de Grote Aardbeving van Lissabon die op Allerheiligen 1755 de Portugese hoofdstad trof en enorme schade aanrichtte, plus tienduizend doden. „Anders dan bevingen die onbewoonde eilanden in de Stille Oceaan betroffen had deze niet alleen rampzalige gevolgen voor de bevolking van Lissabon, maar oefende deze ook diepe invloed uit op het denken van die tijd, toen mensen gingen worstelen met de vragen rond Godsregering en het lijden.”2 In de derde plaats selecteert de historicus uit de enorme hoeveelheid gegevens de gebeurtenissen die hij betekenisvol acht. „De vraag die dan meteen opdoemt is: betekenisvol vanuit welk perspectief, aan de hand van welke norm?”

Dezelfde maatstaven?
Studie maken van ’de historie’ is dus al een zaak die niet door ieder op dezelfde wijze ingevuld wordt. De opvatting van de 19e-eeuwse Duitse geleerde Leopold von Ranke, dat onderzoek van de historie reconstructie is van ’wie es eigentlich gewesen ist’ is daarom niet het laatste woord gebleken. Zijn navolgers hebben zich uitsluitend willen richten op „namen, plaatsen, data, gebeurtenissen, volgordes van gebeurtenissen, oorzaken en gevolgen” – de ’historische feiten’.
Later is die benadering weer als te beperkt gezien. „We zijn tot het besef gekomen dat het objectieve feitelijke niveau waarop de negentiende eeuw werkte slechts één dimensie van de geschiedenis is, en zo aan dat een heel nieuwe dimensie in de feiten, een dieper en meer centraal niveau van betekenis voorbijgegaan wordt.” De (om zijn boekje Eerlijk voor God in de jaren ’60 uiterst omstreden) Anglicaanse Bisschop John Robinson schreef later een veel ’orthodoxer’ boek A new Quest for the Historical Jesus. In dat invloedrijke werk oefende hij kritiek op de onder theologen wel gangbare ’objectieve’ benadering van ’de feiten’. „We hebben al opgemerkt hoe het positivistisch verstaan van de geschiedenis als een serie harde feiten het heeft moeten afleggen tegen een begrip van de geschiedenis als een zaak die zich richt op de diepste intenties, standpunten en opvattingen aangaande het bestaan die door mensen in het verleden zijn aangehangen. De methodologie van de geschiedbeschrijving heeft zich daarom verwijderd van de opvatting dat het vastleggen van het verleden zich richt op ’wie es eigentlich gewesen’ is, m.a.w. objectief vastleggen van de feiten in de juiste volgorde en met de juiste causale verbanden.” Zijn eigen (veel meer existentialistisch te noemen) benadering: „In plaats daarvan moet de historicus zich veel meer bezig houden met de diepliggende bedoelingen van het verleden, door het eigen besef van wie men is (selfhood) te betrekken in een ontmoeting waarin men de eigen intenties en visies aangaande het bestaan in twijfel trekt, en die in de ontmoeting misschien veranderd of radicaal omgekeerd zullen worden.”3 Lijkt er dus geen eenduidigheid over wat dan ’historisch feit’ mag heten, zeker is wel dat de normen van geschiedschrijvers in Oudheid of nu bepaaldelijk kunnen verschillen!
Vooral in hun weergave van redevoeringen is geregeld te vermoeden dat men liever indrukkende speeches weergeven die (de bedoeling van de spreker in het algemeen volgden) dan in accurate weergave van de exacte bewoordingen. De vraag is echter of het gegeven, dat een aantal ’oude schrijvers’” in hun doelstellingen aantoonbaar afwijkt van normen der huidige geschiedschrijving, automatisch betekent dat men alle antieke schrijvers bij hun berichtgeving ten zeerste wantrouwen moet. Ik meen over Flavius Josephus (in de inleiding van Meijer & Wes; zie vorig artikel) of de Griekse geschiedschrijver Herodotus (de inleiding van Hein van Dolen4) ook wel eens meer vertrouwenwekkende dingen te hebben gelezen.
Belangrijker dan deze kwestie is misschien het al oude punt van betrouwbaarheid van boeken uit de Oudheid die bovennatuurlijke elementen bevatten.
Om Howard Marshall te citeren: „Het grootste struikelblok ligt in de plaats van het ’bovennatuurlijke’ (in de ruimste zin des woords) in ’t soort historische gebeurtenissen die achter het Nieuwe Testament liggen.” Hij onderscheidt dan drieërlei mogelijke respons daarop. „Ten eerste zijn er die geleerden die categorisch stellen dat vroeger bovennatuurlijke gebeurtenissen niet voorkwamen en dat ze nu ook niet voorkomen. Ieder Bijbelverhaal of ander verhaal dat een bovennatuurlijk element bevat moet daarom anders verklaard worden, of als een misvatten van wat er gebeurd is (wanneer een ’wonderbaarlijke’ genezing in feite door psychologische oorzaken bewerkstelligd is) of als een legende die een feitelijke basis ontbeert.” De tweede visie is die van hen die menen dat je „als gelovige de mogelijkheid van bovennatuurlijke gebeurtenissen aanvaarden mag, maar als historicus dat niet mag doen.” (Die visie wordt door Marshall bekritiseerd). De derde optie is dat je ook als historicus bovennatuurlijke gebeurtenissen in je beschrijving mag aanvaarden. Er zit nog heel wat meer aan de vragen vast. We zijn nog niet klaar met ons verhaal.

Noten
1. Hans Conzelmann, Die Apostelgeschichte; Deel 7 in de serie Handbuch zum Neuen Testament; J.C.B.Mohr, Tübingen; 2e druk 1972, p. 63.
2. I.H. Marshall, Luke: Historian and Theologian; Paternoster, Exeter/Zondervan, Grand Rapids, 1971; pp. 21,22; p. 85; 18,19
3. Geciteerd in Marshall, 26,27.
4. Herodotus, Het Verslag van mijn Onderzoek; vertaald door Hein van Dolen. SUN, Nijmegen; 195.
2007-2014 Persvereniging Opbouw