5 maart 1999, jaargang 43, nummer 5
Artikel 004948
4. Asiarchen, Politarchen en Anthupatoi Was Lukas een betrouwbaar historicus? P.J. van Kampen De recente wetenschappelijke interesse in de maatschappelijke context van Paulus en vroeg-christelijke groeperingen in de steden van Klein-Azië maakt een nieuwe evaluatie van de status en functies van ’asiarchen’ zeer relevant.
In Handelingen 19:31 komen we diverse mannen tegen die de titel ’asiarch’ dragen en die volgens de tekst ’vrienden van Paulus’ waren en actief zijn welzijn wilden bevorderen. Lange tijd meende men dat, naast één verwijzing naar deze titel in Strabo’s Geografie, het boek Handelingen de enige bewijsgrond vormde dat asiarchen voor het einde van de eerste eeuw voorkwamen.
Vijf (recent gevonden) inscripties maken het onmogelijk de recente suggestie vol te houden dat Lukas’ gebruik van de titel een anachronisme is.
R.A. Kearsley1

Hoe beoordeel je, 1900 jaar na dato, iemands betrouwbaarheid als geschiedschrijver? Mijns inziens kan je dat niet doen ten aanzien van de héle boodschap die iemand brengt, maar je kunt het soms wèl toetsen op bepaalde gegevens die iemand vermeldt.
Dat hoeven dan niet per se de meest wezenlijke punten te zijn; niettemin geven ze ons een indruk van de (on)betrouwbaarheid van een auteur.
Zijn er nu zaken die Lukas vermeldt, die we kunnen controleren en juist/onjuist bevinden? We kunnen ongetwijfeld niet zo maar controleren of de Opstanding van Christus, waarover in Lukas’ Evangelie en het boek Handelingen zoveel gesproken wordt, ’een feit’ is! Evenzo valt het niet mee te ’bewijzen’ dat Maria’s moederschap ontstond buiten geslachtsgemeenschap met een man om. Stellig is meer te noemen.
Zijn er echter andere zaken waarover hij bericht en die we wél (in principe) kunnen verifiëren? Mijns inziens wel, meer nog: er zijn tientallen van zulke punten! Vaak gaat het daarbij niet om zaken die direct ’ons behoud raken’, maar die wel integraal deel uitmaken van de ons overgeleverde tekst. Onze kennis van de Oudheid neemt duidelijk toe, via opgravingen, inscripties en nieuwe technieken om (bekende) gegevens te (her)interpreteren.
Als we die voortdurend binnenkomende informatie leggen naast de gegevens die Lukas negentien eeuwen geleden vermeldde, moet ons de grote accuratesse treffen die Lukas in acht nam! Ik durf de stelling wel te onderschrijven dat Lukas zijn 19e of 20e eeuwse critici heel goed ’aan kan’”! Omdat ik me beperken moet, baseer ik die mening op twee terreinen, dat van de antieke titulatuur en dat van de aardrijkskunde.
Het eerste terrein is mijn thema in dit artikel, de geografie van Handelingen komt, hoop ik, in het laatste artikel aan bod. (Genoeg moet ook genoeg zijn, maar er blijft nog zoveel te zeggen over!)

1. ’Asiarchen’
In de laatste decennia is er buitengewoon veel studie van Handelingen gemaakt, hetgeen onder andere ook meer licht werpt op die term ’asiarch’.
Ik neem wat notities over uit een zeer lezenswaard artikel, ’The Asiarchs’ van de Australische mevrouw R.A. Kearsley.
Het is verschenen in de serie The Book of ACTS in its First-Century Setting, zes uitnemende boeken over Handelingen.
Als er Opbouw-lezers zijn die de soms minutieuze studie van het boek Handelingen boeiend vinden én het Engels voldoende beheersen is aanschaf van deze zesdelige serie een zaak die men zichzelf niet mag ontzeggen!
Mevrouw Kearsley is dé specialist op het gebied van asiarchen, een titel die men in de Provincie Asia aantreft (het gebied van Efese, Smyrna en Milete). Handelingen 19:31 is haar uitgangspunt.
We lezen dat in Efeze een aantal ’asiarchen’ positief tegenover Paulus en zijn boodschap stond. Ze probeerden hem te beschermen tegen onheil dat hem zou kunnen overkomen.
Het is, meen ik, het enige voorbeeld waar leden van de stedelijke elite Paulus’ persoon en boodschap kennelijk positief beoordelen.
Klòpt het echter dat Lukas van deze ’asiarchen’ melding maakt? Wel is aangetoond dat er in de tweede eeuw van onze jaartelling en later zulke hoogwaardigheidsbekleders bestonden.
Bewijst dat echter ook dat ze al in Paulus’ tijd aangetroffen werden? Theorieën uit ’bijbelkritische bron’ hadden Lukas’ gebruik van die titel discutabel geacht: vermoedelijk een anachronisme!
’Lukas’ had de situatie van de tweede eeuw, waarin hij leefde en waarin asiarchen wél voorkwamen, vermoedelijk in zijn relaas de eerste eeuw binnengesmokkeld...
Mevrouw Kearsley vertelt dat al weer even geleden in de Griekse steden van Klein-Azië vrij grote aantallen munten zijn gevonden die de titel ’asiarch’ vermelden.
Probleem daarbij was echter dat ze niet exact te dateren waren. Uit de vondsten was echter wel onomstotelijk komen vast te staan dat dragers van die titel dat konden combineren met hoge posities in het stadsbestuur.
„Talrijke inscripties die naar ’asiarchen’ verwezen zijn ons nagelaten uit de Griekse steden in de provincie Asia; deze verschaffen ons een tamelijk complete serie die zich over een groot deel van de eerste drie eeuwen der Romeinse periode uitstrekt. De inscripties die in nog lopende opgravingen gevonden worden, de totaaloverzichten van het gevonden materiaal en de publicatie van teksten uit individuele steden waarvan tot nu toe het materiaal ontoegankelijk was voegen steeds nieuwe informatie aan onze kennis toe.
Vooral belangrijk onder recente publicaties is het totaal aan inscripties uit Efeze en de omringende steden in het dal van de Kayster, want tot nu toe zijn nergens zoveel inscripties met betrekking tot ’asiarchen’ gevonden als juist in Efeze; het gaat inmiddels om ca. 60 inscripties.” 1 Uit die vele verwijzingen blijkt het belang van deze groep van asiarchen.
„Onderzoek laat zien dat hun families onderling huwden met die van andere hoogwaardigheidsbekleders, zodat ze een hechte maatschappelijke elite vormden. Uit dit alles weten we dat
* men die titel kon combineren met andere officiële ambten
* men die titel gedurende een vastgestelde periode droeg
* men moties aan de volksvergadering voorstelde
* men géén functie als hogepriester van een plaatselijke cultus ermee kon combineren (een opvatting die jarenlang opgeld deed onder historici en Nieuwtestamentici)
* men met keizerlijke toestemming ceremoniële kleding droeg.
Pas in 1988 heeft men, zo begrijp ik Mevrouw Kearsley, voor het eerst in wetenschappelijke kring (vast)gesteld dat er inderdáád deugdelijk bewijs bestond voor de aanwezigheid van asiarchen in de eerste helft van de eerste eeuw én voor een ononderbroken lijn van zulke ambtsdragers van de eerste tot de derde eeuw AD. Het lijkt erop dat Lukas zijn gelijk gekregen heeft.”

2. Politarchen
In Handelingen 17 wordt melding gemaakt van de situatie in de Macedonische stad Thessalonika. Daar ontstond Joods ongenoegen over Paulus’ prediking van de Christus. „Maar de Joden werden afgunstig en namen enkelen van het minste straatvolk te hulp, veroorzaakten een oploop, en brachten de stad in rep en roer; en ze stormden op het huis van Jason aan met de de bedoeling hen voor de volksvergadering te brengen. Maar toen zij hen niet vonden, sleurden zij Jason en enige broeders voor de stadsbestuurders.
Zij maakten de bevolking en de stadsbestuurders die (hun beschuldigingen) hoorden ongerust.”(vss.5-9) De stadsbestuurders heten politarchen.
Een snelle blik in Schmollers Nieuwtestamentische Concordantie op het Grieks toont dat alleen hier deze titel voorkomt. De volksvergadering heet de dèmos.
De Australiër G.H.Horsley schrijft in het al genoemde boek over ACTS een artikel over de ’politarchen’. Hij begint met de zin: „De laatste kwarteeuw is een ware Gouden Eeuw voor archeologen in Noord-Griekenland. Velen zijn bekend met de schitterende vondsten in de Koninklijke Graven in Vergina; toch is dit maar één van de ontelbare vindplaatsen in het oude Macedonië die nu opgegraven worden, vooral door Griekse archeologen.” Hij noemt Pella, de koninklijke residentie, Dion, Berea (nu Veroia) en vele andere plaatsen. Al deze vondsten hebben „degenen die de Antieke Wereld bestuderen reden gegeven hun denken over het karakter van de Macedonische staat, alsmede het culturele klimaat, zowel voor als na het Romeinse interventie in 167 v.Chr., radicaal bij te stellen.” (cursief, PJvK) Hij voegt eraan toe: „Het aantal recente ontdekkingen in de regio geeft aanleiding om beter begrip te verwachten, in het kielzog van archeologisch werk”.2 Vooral in Thessalonika werd het verschijnsel ’politarchen’ vaak aangetroffen.
Het „was een bestuurstaak die je voor één jaar op je nam en ook belangrijke betekenis had. Hij kwam vooral in de Macedonische steden voor na het Romeinse ingrijpen in de regio, in de tweede eeuw voor Christus. Dragers van deze titel hadden een burgerlijke, maar geen militaire bevoegdheid. De geografische verspreiding van verwijzingen naar politarchen omvat vooral Macedonië en in het bijzonder de stad Thessalonika.”

Achterhaald’!
Horsley maakt melding van een nog steeds veel geciteerd artikel uit 1898, dat op talloze punten ernstige correctie behoeft maar desondanks nog als gezaghebbend gezien wordt. „Ongelukkigerwijs weerspiegelt het feit dat in moderne belangrijke commentaren op het Nieuwe Testament nog steeds alleen Burton en niets anders aangehaald wordt, het algemeen gebrek aan bekendheid met moderne epigrafische ontwikkelingen bij Nieuwtestamentici.” Schrijvend in 1994 (dus bijna een eeuw later) vermeldt Horsley dat er momenteel wel 70 verwijzingen bestaan naar ’politarchen’ buiten literaire bronnen om. „Bijna alle in inscripties. Ruim 80 % ervan komt uit Macedonië, en meer dan 40 % van alle aangetroffen meldingen uit de stad Thessalonika, momenteel 28.”2 Tot 1970 was de gangbare wetenschappelijke opvatting dat pas in de Romeinse tijd (na 167 v.Chr.) het instituut ’politarchen’ in de Macedonische samenleving was geïntroduceerd. Die visie is nu allengs verlaten. Desondanks blijft het wel een instelling die in de Romeinse tijd het meest heeft gefloreerd.
„Het was een bestuursfunctie voor één jaar, die men meer dan eens vervullen kon.” Men moest op gezette de Raad, de boulè, bijeenroepen en die wetsvoorstellen voorleggen. De ekklèsia, een ander lichaam voor stadsbestuur, moest door hen bijeengeroepen worden. Wat in bestuursvergaderingen besloten werd moest door hen bekrachtigd, opgetekend en, van een zegel voorzien, ook gearchiveerd worden.
Ten overstaan van de dèmos, de volksvergadering, was men onder andere verschuldigd een goed beleid te voeren op het punt van het oprichten van monumenten en eretekenen voor weldoeners van de stad. „Als een politarch maatregelen nam die ingingen tegen beslissingen, die al eerder door de dèmos genomen waren, kon hem een boete worden opgelegd.” Dat politarchen zeker ook juridisch verantwoordelijkheid droegen blijkt uit Handelingen 17:6-9. Zij hebben uiteindelijk tot eerste taak de orde en rust in de stad te handhaven.
Dat lijkt ook het geval in Berea, waar Paulus c.s. vervolgens heen vertrekken.
De bestuurders daar worden niet genoemd, maar we weten uit andere bron dat ook Berea ’politarchen’ kende.
Het aantal politarchen varieerde per stad, is gebleken. Ook kon een zelfde stad in verschillende periodes een verschillend aantal politarchen hebben, meestal schommelend drie tot zeven.
Zoals gezegd, is de laatste decennia veel materiaal gevonden; „We mogen optimistisch zijn voor de toekomst, vooral met het oog op de huidige zéér productieve archeologische activiteit in Noord-Griekenland.’

3. Anthupatoi en anderen
In Handelingen 18:12 staat dat Gallio proconsul van Achaia was en resideerde in Korinthe. Het is bekend dat van 27 v Chr. tot AD 15 en ook weer vanaf 44 AD Achaia rechtstreeks bestuurd werd door een proconsul. Het correcte Griekse woord daarvoor is een anthupatos. Van Gallio, die in de NBGvertaling ’landvoogd’ is, is wel het een en ander bekend. Hij is gearriveerd in het jaar 51 (of in 50, als hij twee jaar heeft geresideerd). In Delphi, het Griekse heiligdom, is een inscriptie gevonden, waarop Keizer Claudius spreekt over „Mijn vriend Lucius Junius Gallio, proconsul (anthupatos) van Achaia”. Die inscriptie kan gedateerd worden in de eerste helft van het jaar 52.
„Het incident dat in Handelingen 18 gemeld wordt, behoort bijna zeker tot de periode vlak na Gallio’s aankomst in de vroege zomer van het jaar 51, ’t enige moment tijdens Paulus’ verblijf (herfst 50 tot lente 52) waarin zijn tegenstanders uit de aanwezigheid van een nieuwe en onervaren gouverneur voordeel hadden kunnen halen.”3 Verder is de bèma, de verhoging waarop de proconsul rechtsprak gevonden (Handelingen 18:12). Onlangs heb ik in Korinthe er langdurig bovenop gestaan.
Opnieuw is Lukas’ gebruik van terminologie volstrekt juist, wat voor een latere schrijver die zich met Lukas’ naam zou sieren moeilijk, zo niet onmogelijk zou zijn...
* Handelingen 13:7 toont correct dat Cyprus een proconsulaire provincie was, met een proconsul die in Paphos zetelde.
* Handelingen 16:22 noemt de voornaamste bestuurders van de terecht ’kolonie’ geheten stad Filippi stratègoi wat volgt op de algemene aanduiding voor bestuurders archontes (vs.19) Die term is Grieks voor het Latijnse duoviri (lett. ’tweemannen’).
Het gebruik van deze term voor het Latijnse duoviri van de kolonie treffen we ook aan in Pisidisch Antiochië.
Het slaan met roeden hoort bij de taak van de rhabdouchoi (16:35) oftewel lictoren, die de magistraten van de kolonie ten dienste staan.
* In Handelingen 19:35 wordt de correcte titel Grammateus voor de voornaamste uitvoerende magistraat in Efeze. Dat zo iemand inderdaad ’schrijver’ heette wordt in diverse inscripties getoond.4
* Als het geen algemeen meervoud is, wil anthupata (19:38) het opmerkelijke gegeven aanduiden dat twee mannen gezamenlijk en tijdelijk het ambt van proconsul waarnamen nadat ze hun voorganger vermoord hadden bij de troonsbestijging van Nero in 54 (Tacitus. Annalen 13.1; Dio 61.6.4). Die datum past precies bij de waarschijnlijke chronologie van deze passage.

4. Conclusies
Nu kan een lezer zeggen: wat kan het mij nu schelen of rond het jaar 50 in Efeze wél of niet ’asiarchen’ voorkwamen?
En of er in Thessalonika en Berea politarchen waren en een ’anthupatos’ in Korinthe, en een ’grammateus’ in Efeze? Daar staat of valt mijn verlossing toch niet mee, dit is zeker geen ’kennis ter zaligheid!’ Volkomen terecht. We kunnen niet genoeg beklemtonen dat ’t niet de bedoeling van Lukas is om alleen historische feitjes door te geven. Belangrijk is echter wel hier te melden dat in de tijd dat nagenoeg alléén Handelingen van ’asiarchen’ melding maakte, en van andere titulatuur, veel geleerden alleen op die gronden dit als een onjuiste uitspraken afdeden, eens te meer bewijs van Lukas’ (toch al op voorhand veronderstelde) historische onbetrouwbaarheid.
Heel minutieus onderzoek van vaak recente datum blaast de basis onder dit ongeloof echter op! Waarvan acte.

Noten
1. R.A. Kearsley, ’The Asiarchs’ in red. David Gill en Conrad Gempf; The Book of Acts in its Graeco-Roman Setting; Eerdmans, Grand Rapids/Paternoster, Carlisle, 1994; pp. 363, 364
2. G.H.R. Horsley. ’The Politarchs’ in red. Gill & Gempf. a.w. pp. 419-431.
3. Colin Hemer, The Book of ACTS in the Setting of Hellenistic History; J.C.B. Mohr, Tübingen; 1989; p. 119.
4. Hemer, a.w. p.122.
2007-2014 Persvereniging Opbouw