27 november 1998, jaargang 42, nummer 24
Artikel 005134
De mens Clive Staples Lewis (1898-1963) (1) P.J. van Kampen Op 29 november 1898, nu honderd jaar geleden, werd C.S. Lewis geboren, in een advocatengezin in Belfast, Noord-Ierland. Hij zou zich ontwikkelen tot een van de meest aansprekende docenten aan de Engelse universiteit van Oxford en ook uitgroeien tot de bekendste christelijke apologeet van de twintigste eeuw. In deze weken wordt op diverse wijzen aandacht gevraagd voor zijn leven en zijn werk. Ook in ’Opbouw’ een poging tot duiding van een en ander.

Wie C.S. Lewis’ leven zou willen leren kennen, kan bij diverse bronnen terecht. In de eerste plaats is daar zijn autobiografie Verrast door Vreugde, die onlangs in een fraaie nieuwe editie met een nieuwe vertaling is verschenen.1 Daarnaast bestaan diverse andere aantrekkelijke biografieën; de laatste en misschien wel aardigste die is van George Sayer, een van zijn oud-studenten. 2

Twee broers
C.S. Lewis was de jongste van twee zoons, die ook later elkaar in hoge mate trouw zijn gebleven. Warren (’Warnie’ voor zijn vrienden) werd later beroepsmilitair, met bepaald historische interesse; hij heeft diverse boeken over de Franse militaire historie op zijn naam staan, die door kenners geroemd zijn (en die ik, eerlijk gezegd, nog nooit onder ogen heb gehad). Hij bleef ongehuwd; jarenlang woonde hij met zijn broer Clive, die eveneens vele jaren ongehuwd bleef en pas rond zijn zestigste trouwde (een late roeping!), in een huis in de Oxfordse buitenwijk Headington. Wat vrienden die dat huis, ’The Kilns’, hebben bezocht, verklaarden unaniem dat het een afschuwelijk huis was! Uit de jeugd van Lewis moet worden opgehaald dat hij zich sterk hechtte aan zijn moeder die een heel gelijkmatig karakter had. Zijn vader had een temperament, waarin gevoelens ook heftig geuit werden. Ten aanzien van zijn opvliegende vader ervoer hij een mengeling van ontzag en afstand.
Toen Moeder jong overleed, was hij ontroostbaar. De tekst op de Shakespeare scheurkalender, die op haar sterfdag afgedrukt stond, is later ook op zijn eigen graf gebeiteld. „Men must endure their going hence” („Mensen moeten het lot dragen vanhier te gaan”). Merkwaardig, op ’t graf van de bekendste christelijke apologeet van de twintigste eeuw staat geen Bijbeltekst, maar een uit Shakespeare...
Zijn jeugd werd verduisterd door de noodzaak te wonen bij een vader die zich in zijn verdriet terugtrok; het was overigens ook een grillig gebouwd huis, met overal boeken. In die jaren creëerden Clive en Warren al hun eigen ’alternatieve werelden’, voorbode van Lewis’ latere schepping van fantasiewerelden. Dat bleek in zijn Ruimtevaarttrilogie en in de Narniaboeken, die vooral voor kinderen bedoeld zijn. We hopen daar in een volgend artikel op terug te komen. Lewis moest na verloop van tijd naar een kostschool vertrekken. In totaal heeft hij er vier bezocht en vooral de laatste vond hij vréselijk. Later is hij van die school gehaald; al was zijn vader sterk op zichzelf gericht, hem werd desondanks duidelijk dat het een ramp zou zijn, als z’n jongste zoon op die school bleef. Een (kennelijk heel intense) ervaring van gepest worden, heeft in Lewis’ oeuvre zijn weerslag gevonden. Van iedere zweem van intimidatie en van ’bullying’ behield hij een levenslange afkeer, zoals herhaaldelijk bleek.

Privé onderricht
Hij werd na verloop van tijd naar een ’private tutor’ gestuurd, woonde bij deze al bejaarde man en ontving van hem individueel onderricht. Dat onderricht in de meest rigoureus-logische trant gegeven door een man, die niet geloofde en onafhankelijk denken erg aanmoedigde, heeft Lewis sindsdien gescherpt in zijn denken. ’t Leverde hem ook een felbegeerde plek aan de Universiteit van Oxford op. Vooral de Klassieken, de Filosofie en de Literatuur boeiden hem. Tenslotte heeft hij zijn salaris verdiend met het doceren van de Engelse Literatuur. Hij heeft op dat gebied een paar van de meest gezaghebbende boeken van z’n tijd geschreven: The Allegory of Love, over de Hoofse Liefde in de middeleeuwse literatuur. (1936) Het standaardwerk, English Literature in the Sixteenth Century (excluding Drama) verscheen in 1954. Het kwam uit in de prestigieuze ’Oxford History of English Literature’, een reeks van het allerhoogste niveau. (’Mijn OHEL boek’, zoals hij dat noemde met een woordspeling op ’Oh hell!’, een Engelse bastaardvloek) Een buitengewoon aardig boekje vind ik The Discarded Image, dat in 1964 (dus postuum) verscheen. Het Is een voortreffelijke introductie op het wereldbeeld in Middeleeuwen en Renaissance. Ook zeer lezenswaard is An Experiment in Criticism. (1961)

’Levenslang’
Zover was het voorlopig echter nog niet. De Eerste Wereldoorlog woedde in alle hevigheid en hij belandde als vrijwilliger in de linies in Frankrijk, waar hij gewond raakte en buiten gevecht werd gesteld. Zijn kameraad Paddy Moore sneuvelde; dat zette Lewis ertoe aan een belofte aan zijn gesneuvelde vriend in te lossen om, als er iets met hem gebeuren zou, voortaan voor diens moeder, Mrs.Moore, te zorgen. Patricks moeder – bepaald een lastige vrouw, om er niets anders van te zeggen! – werd door de nauwelijks twintigjarige financieel ondersteund en later in huis genomen. Ze heeft nog ruim dertig jaar geleefd! Men heeft gespeculeerd over de aard van de betrekking tussen beiden (een moeder-zoonrelatie, of was er erotiek in het spel?) maar daarover is het laatste woord nooit gezegd; maar goed ook. Eventuele samenhang met Lewis’ langdurig vrijgezellenbestaan zal ook wel onopgehelderd blijven.

Hunkering naar een iets onbestemds...
Na de oorlog belandde Lewis in het Oxfordse academisch circuit om er feitelijk nooit meer uit weg te gaan.
Engelse Literatuur werd zijn leeropdracht.
Hij was in die tijd bepaald geen christen, al had hij, zoals zeer velen in die tijd, zijn jonge jaren doorgebracht in de Church of England. Hij achtte zich atheïst, maar dan wel een met sterk ’geestelijke interesse’ .... Jarenlang werd hij geboeid door de Mythologie van Kelten en Germanen; de ’Noordsheid’ van laatstgenoemde verhalen had hij in z’n botten! Meestal waren dat verhalen vol strijd en geweldpleging, trouw en kameraadschap in de strijd, maar ook van verraad, ondergang en dood, wat een mens niet per se vrolijk stemt. Lotsbestemming en fatalisme lagen in die tijd dicht bij zijn beleving. In zijn autobiografie Verrast door Vreugde spreekt hij echter over een onweerstaanbare hunkering naar een andere werkelijkheid, waarin alles anders zou zijn. Deze ’joy’, zoals hij dat noemt, trok hem erg in de richting van ’de hemel’ zo men wil. Hij hield echter ook een sterk platonische trek in zijn denken. „It’s all in Plato”, zegt professor Kirke aan het einde van de Narnia-serie, als het hele gezelschap dat we in de zeven kinderboeken hebben leren kennen en liefhebben, door de poort terechtgekomen zijn in het Nieuwe Narnia, een Narnia dat „nog meer zichzelf is” dan ’t oude Narnia ooit kon zijn. Ik denk dat Lewis Professor Kirke een beetje naar zichzelf gemodelleerd heeft.

’De meest weerbarstige bekeerling in heel Engeland’
Koos Lewis bewust voor zijn eigen versie van ’atheïsme’, voelde hij zich aangetrokken tot Platonisme en ’Noordsheid’, hij kwam tot overgave aan Jezus Christus.
In Verrast door Vreugde spreekt hij over de tijd „dat God mij insloot”. Hij merkt over de tijd voor zijn bekering dit op: „Een jonge atheïst kan werkelijk niet zorgvuldig genoeg over zijn geloof waken. Aan alle kanten dreigt gevaar.
Je moet de wil des Vaders niet doen, zelfs niet proberen te doen, tenzij je bereid bent ’van de leer te weten’. Al mijn daden, verlangens en gedachten dienden in harmonie te worden gebracht met universele Geest. Ik onderzocht mijzelf voor het eerst met een serieus praktische bedoeling. En daar trof ik ontstellende dingen aan: een dierentuin vol begeerten, een gekkenhuis vol ambitities, een kleuterklas vol angsten, een harem vol gekoesterde haatgevoelens. Mijn naam was Legioen.” (184) Maar dan komt hij tot bekering. „Ieder stap die ik genomen had, van het Absolute naar ’Geest’, en van ’Geest’ naar ’God’ was een stap geweest in de richting van het concretere, van grotere klem, van krachtiger dwang. Bij iedere stap had je minder kans om nog baas in eigen ziel te zijn. Geloof in de Incarnatie was een volgende stap in diezelfde richting. God komt hierdoor naderbij, of op een nieuwe manier nabij.() Ik weet heel goed wanneer, maar nauwelijks hoe, de laatste stap genomen werd. Op een zonnige morgen reed ik met iemand mee naar Whipsnade, de diergaarde. Toen we vertrokken, geloofde ik niet dat Jezus de Zoon van God is, en toen we
bij Whipsnade arriveerden geloofde ik het.” (192)

Een zeer productief apologeet
De ’most reluctant convert in all England’ Lewis, 32 jaar oud, begon meteen z’n pas verworven geloof in woord en geschrifte uit te dragen. Zozeer was dat tegen de aanvaarde normen in Oxford dat hij, de meest succesrijke lector in Oxford, nooit voor een professoraat in aanmerking kwam. (Dat werd hem pas veel later in Cambridge, de academische aartsrivaal, verleend, zodat hij korte tijd ook die Universiteit gediend heeft.) Een groot aantal boeken kwam in hoog tempo uit zijn handen; diverse daarvan kregen de ene herdruk na de andere, aan beide kanten van de Atlantische Oceaan; een aanzienlijk aantal werd bovendien vertaald, in vele andere talen. Brieven uit de Hel, De Grote Scheiding, De Vier Liefdes, De Beeldhouwer en zijn Beeld, Wonderen, Gods Megafoon (nu Het Probleem van de Pijn geheten), A Grief Observed (Verdriet, Dood en Geloof) en andere vonden hun weg naar een gretig publiek. En terecht!

Onder professoren
De vrijgezel Lewis, academicus bij uitstek, bleef er erg gewoon onder. Hij leidde in Oxford het leven van een ’Don’, was stipt in zijn colleges, tentamens en drinkgewoonten.
„Daar loopt C.S. Lewis, dan moet het dinsdag zijn”, merkt een van de figuren in een detective uit de jaren ’40 op; hij zit in een pub te drinken en maakt melding van de ijzeren wetmatigheid in Lewis leven. Met een aantal vrienden, van wie J.R.R. Tolkien en Charles Williams de meest bekende zijn, ging hij ’s dinsdags bier drinken, in een pub die je nog bezoeken kan (leuk om daar even wat te drinken!).
Op donderdag dronk het gezelschap port, in een van de vertrekken binnen de Universiteit. En dan maar praten, want deze academische en christelijke vrienden hielden van een goed gesprek! De meeste werken van Lewis en Tolkien werden in delen voorgelezen, aan de kritiek of bijval onderworpen van deze groep, die zichzelf de ’Inklings’ noemde. Het was een club met typische mannenvriendschappen; huwelijkse zaken – de meesten waren gehuwd – kwamen nooit aan de orde, al werd wel de vrouw van een van hen, Charles Williams, steevast als ’Michal’ aangeduid, omdat ze zich distantieerde van het uitbundige gedrag van haar man, die in vuur en vlam kon staan voor literatuur en menig ander discussiepunt.
Een lezenswaardig en zeer sympathiek beeld van hun activiteiten wordt verschaft door Humphrey Carpenter, in zijn boek The Inklings4 Carpenter tekende ook voor een nobele biografie over Tolkien, de schepper van de
magnifieke trilogie In de Ban van de Ring.5

Een aantrekkelijke levensstijl
Lewis en kornuiten ware stellig een eigenaardig groep mensen, die voor hun plezier Oud-IJslands leerden, voor het authentiek genieten van de middeleeuwse werken van Snorri Sturlusson.
Ze gingen geregeld een paar dagen wandelen, over landweggetjes en door weilanden, langs beken en over heuvels. Als ze bij een pub aanlandden, werd er de tijd genomen voor een pot pils; bij het passeren van een kerkje ging men binnen om het Bijbelgedeelte dat op de lezenaar klaar lag, hardop aan elkaar voor te lezen. Hun leefpatroon is op een merkwaardige wijze aantrekkelijk. Dat meen ik ook te zien in zijn omgang met zijn studenten. Hij was geen gemakkelijke examinator, want hij eiste veel. Tegelijk vertelt Kenneth Tynan, in leven een van de bekendere Engelse literaire critici en zelf (toneel)schrijver, hoe Lewis hem eens een keer vroeg de tekst voor een nog te houden lezing kritisch te bekijken; Tynan las hem en gaf hem, terug met de woorden dat hij van alle literaire bronnen die Lewis genoemd had er niet één kende! Lewis was hoogst verbaasd dat de veelbelovende Tynan van deze dingen helemaal niets wist.
Tynan, zelf geen christen, liet zich in een interview uiterst positief uit over de manier waarop Lewis zijn geloofsovertuiging uitdroeg maar de visie van andersdenkenden zeer respecteerde.

Zijn dood
Hoewel Lewis al lange tijd leed aan een combinatie van kwalen, kwam z’n dood op bijna 65-jarige leeftijd, toch nog onverwacht. Zijn sterfdag, 22 november 1963, werd geheel overschaduwd door de aandacht die de media gaven aan de moord op president John Kennedy. Een derde bekende dode op die dag was Aldous Huxley, Engels Nobelprijswinnaar voor de Literatuur, en agnost. Peter Kreeft, een Amerikaans R.K. denker, heeft een boekje geschreven met een (uiteraard gefingeerde) discussie tussen deze drie; de gespreksthema’s zijn leven, hiernamaals en geloof in God. Het is heel goed leesbaar.

Zo zijn er andere dingen. Lewis, die bang was om arm te worden, bleek altijd £ van zijn inkomsten aan goede doelen te hebben gegeven! Pas na zijn dood kwam dat uit. Ondanks zijn bijzonder drukke leven heeft hij met een zeer groot aantal mensen gecorrespondeerd, daarin een opmerkelijke mate van trouw getoond.
Zo is er meer goeds te zeggen van deze dienaar van God, die natuurlijk ook zijn eigen weerbarstigheden had.
Het gaat niet aan om, zoals Amerikaanse lezers soms doen, met alles wat hij gedaan heeft te dwepen. Het is echter onmiskenbaar zo dat Lewis een verrassend groot aantal mensen heeft gezegend met z’n boeken en z’n menselijke optreden van aangezicht tot aangezicht.

Noten
1. C.S.Lewis, Verrast door vreugde; Hoe mijn Leven begon. Van Wijnen, Franeker; 1998. Net als veel andere recente uitgaven van Lewis’ werk is ook dit boek vertaald door Arend Smilde.
2. George Sayer, C.S.Lewis; Biografie.
Kok-Voorhoeve, Kampen; 1996.
3. Brieven uit de Hel en De Grote Scheiding zijn uitgekomen bij Ten Have in Baarn; de overige titels zijn verschenen bij Van Wijnen in Franeker. Alle genoemde boeken zijn voorradig.
4. Humphrey Carpenter, The Inklings; C.S.Lewis, J.R.R.Tolkien, Charles Williams and their Friends. Allen en Unwin, 1978.
5. Humphrey Carpenter, Tolkien. Van Wijnen, Franeker; 1992.
6. Peter Kreeft, Tussen Hemel en Hel.
2007-2014 Persvereniging Opbouw