11 december 1998, jaargang 42, nummer 25
Artikel 005152
C.S. Lewis en zijn Andere Werelden (2) P.J. van Kampen In onze twintigste eeuw zijn allerlei ”heelallen” gecreëerd door sciencefiction- en ”fantasy”-
schrijvers. Van die scheppers van andere werkelijkheden geldt dat ze meestal hun verhalen projecteren in de (verre of nabije) toekomst, dat ze vaak hun thema kiezen in verwonderlijke technische nieuwigheden of bedreigingen vanuit de ruimte. Lewis toont in zijn ”ruimtevaartromans” geen fascinatie in allerhande onvermoede werelden, samenhangend met nieuwere wetenschappelijke of technische ”inzichten”. Integendeel, hij grijpt bewust terug op het ”oude Ptolemeïsche” wereldbeeld als kader voor de avonturen die men beleeft.
Anders dan Arthur Clarke, Carl Sagan en talloze vakgenoten, die hun werk schrijven binnen een evolutionistisch kader, komt hij niet uit bij ”religieuze” opvattingen die hooguit vaag pantheïstisch zijn. In zijn trilogie ”Ver van de Zwijgende Planeet”, ”Een Reis naar Venus” en ”De Binnenste Cirkel” gaat Lewis uit van het ”oude wereldbeeld” van Middeleeuwen en Renaissance dat heel prima verbonden kan worden met z’n eigen christelijk geloof. Daarin zijn Aarde en Kosmos door een Persoonlijke Schepper gemaakt. Er is ook een strijd in de hemelse en de aardse gewesten. De vraag is steeds: waar staan wij, mensen van ”de Zwijgende Planeet”?

Op een van de tochten met ons gezin door Spanje, op weg naar de aloude bedevaart-plaats Santiago de Compostella, zag ik op de kaart dat we niet ver verwijderd waren van de ”Campo de Arbol”. Op die plek in Noord-
Spanje werd een veldslag gevochten tussen de Moorse bezetters van Spanje en de Christelijke ridders van de Reconquista. Wie C.S. Lewis’ werk enigszins kent, herkent dit ”Veld van Arbol”; het is een term voor ons zonnestelsel. Arbol is de naam, die op de planeet Malacandra (die wij Mars noemen), gegeven wordt aan de zon.
Lewis, groot kenner van middeleeuwse literatuur en geschiedenis heeft, mag je aannemen, die term erg bewust voor zijn eigen werk overgenomen.
In De Reis met het Drakenschip, een van Lewis’ ”Narnia”-boeken, wordt het verhaal verteld van een ”gepensioneerde” Ster, die verantwoordelijk is voor een goede gang van zaken in ”zijn” wereld en die zich dood ergert aan de stompzinnige Dufflepuds. Dat zijn wezens die maar één been en voet hebben en die onder andere gebruiken om zich schaduw te verschaffen. Dat voorbeeld komt direct uit John Mandeville’s Travels, een van de bekendste reisverhalen uit de Late Middeleeuwen. Opnieuw grijpt Lewis terug op oude anekdotes of namen.
Veel belangrijker echter is z’n neiging om zeer oude gedachtegangen en beschouwingen van het heelal in zijn werk op te nemen, die te gebruiken als bouwstenen voor de werkelijkheid die hij creëert, met name die op andere planeten. In Lewis’ ”Ruimtevaartromans” lezen we over een reis naar Mars, een reis naar Venus en een verblijf op aarde, onder ongewone omstandigheden. De hoofdpersoon Ransom, een filoloog, komt in alle drie boeken voor. Er is ”voortgang” in zijn ontwikkeling, die vooral van geestelijke aard is. Een van de thema’s in deze boeken is de verhouding tussen de wezens op (en het leven op) Malacandra (Mars), Perelandra (Venus) en Thulcandra (de Aarde, de Zwijgende Planeet). Daarin grijpt hij ten dele terug op het wereldbeeld, van Ptolemaeüs in de Oudheid en latere middeleeuwse geleerden.

Het heelal volgens Ptolemaeus c.s.
a. Er is een heelal waarin de aarde centraal staat; alle andere planeten draaien om de aarde.
b. Zeven planeten beschrijven een cirkelvormige beweging rond de aarde.
Elk heeft een eigen omloopsnelheid.
Men moet zich die beweging overigens niet in een plat vlak voorstellen, maar binnen een driedimensionale cirkel, dus een bol, sfeer.
c. Achter de planeten (wat betekent:”Bewegende lichamen” staan de sterren, het Stellatum. Die staan dus stil.
d. Achter het Stellatum heb je de Primum Mobile, een sfeer die alles in beweging brengt, de ”Eerste Beweging” (betekenis van de Latijnse term).
Dat wereldbeeld dat zich op waarneming kon beroepen (zonder dat er al verrekijkers of sterrenkijkers aan te pas gekomen waren) werd door de Kerk een goed kader voor theologisch correcte beschouwingen geacht. Tot ongeveer 1630 toe (toen het proces tegen Galileï plaatsvond) was dit het denkkader van de ontwikkelde mens: dus tot en met de Renaissance. We komen de sporen ervan uitbundig tegen bij Shakespeare, John Donne (die duidelijk twijfels had) en alle andere Elizabethanen in Engeland, mensen ten tijde van Koningin Elizabeth I. De Puritein John Milton is de eerste van ”na de grote scheiding”.

Het ”theologisch correcte” heelal
Wat ”theologische” uitwerkingen van het systeem moeten genoemd:
a. Achter de Primum Mobile ligt de hemel; het heelal is een soort ”uitsparing” van ruimte binnen de hemelse werkelijkheid. Als de aarde in het midden staat, betekent het ook dat die het verst verwijderd is van de hemel! Nergens in het heelal is de situatie zo ernstig als hier. We zitten in ”quarantaine”.
b. Het heelal getuigt van Gods eer. De hemelse dienstregeling is volmaakt.
Alleen op aarde kent men echter veranderlijkheid, vergankelijkheid en dood; een van de grote thema’s in de laat- middeleeuwse/Renaissance literatuur.
De Aarde is ”afvoerputje” van het heelal. Daarin zit nu helemaal niet het idee dat in dit heelal alles om de mens draait, zoals latere generaties hebben verondersteld heeft. Integendeel, het is het einde van pogingen de mens de maat van alle dingen te laten zijn. Geen menselijke pogingen zichzelf gloriërend in het centrum te plaatsen!
c. De scheidingslijn tussen onvergankelijk en vergankelijk ligt bij de maan.
De achterkant van de maan hoort bij de goede kant, de aan God gehoorzame kant; aan onze kant is het echter mis. We leven daarom in het ”ondermaanse”. Wij zijn ”sublunary”, wat in het Engels synoniem is voor vergankelijk, instabiel.
d. Er is wat met het getal ”zeven”. De planeten Uranus en Pluto waren nog niet ontdekt, zodat het getal zeven correct leek. Er bestaan ”Correspondenties” oftewel overeenkomsten, samenhangen: zeven tonen, dan opnieuw de eerste, op hoger niveau: samen het octaaf. Als een soort ”kosmische bromtol” maakt elke sfeer, elke bol in het heelal waar zich een planeet in bevindt een volmaakt geluid; samen de ”harmonie der sferen”, het Hemelse Loflied. De Psalm zegt niet voor niets: de hemelen vertellen Gods eer.
e. In de rest van het heelal leven misschien wel wezens, maar die zijn dan vermoedelijk niet gevallen, zoals wij!
De engelen zijn verantwoordelijk voor de hemelse dienstregeling van de beweging aan de sterrenhemel. Dat doen ze volmaakt, tot Gods tevredenheid.
Men kan die beweging van de planeten beschouwen als een heel ingewikkelde Dans, ook tot Gods eer.
f. Men leefde in ”een bezield verband” en zag overal sporen van ”correspondenties”, van samenhangen, tussen de aarde en andere planeten, tussen mens en firmament (de astrologie is gebaseerd op geloof in correspondenties tussen planeten en levensloop, of vaker in die tijd het geval, tussen de planeten en psychologische geaardheid: mensen kunnen immers bepaald worden door:
* de Zon: zonnig karakter
* de Maan: lunatic; ”maanziek”
* Venus: altijd verliefd
* Mars: onverwoestbaar krijgshaftig
* Mercurius: kwikzilverachtig, ongrijpbaar, ”mercurial”
* Saturnus: saturnijns, grimmig
* Jupiter: joviaal g.

Men geloofde in uiterste ordening van het heelal. De hele werkelijkheid is te verdelen in ”rangordes”. Anders dan wij vaak denken, waren de Middeleeuwers verzot op classificeren! Het Koninkrijk der Dieren (the Animal Kingdom) bestond naast het Rijk van de Vogels, van de Vissen, van de Delfstoffen (the Mineral Kingdom), etc.
Er werd een zeker ”koningschap uitgeoefend” door de leeuw (soms de olifant), gevolgd door de beer. De adelaar heerste elders en de walvis, gevolgd door de dolfijn weer ergens anders. (Het is geen toeval dat sommige van die dieren in wapenschilden en ook in vlaggen terechtkwamen!) Goud werd in rangorde gevolgd door zilver, de Keizer door de Koning, door de Hertog, etc. In Gods ordening raakte de hoogste van één categorie van leven aan de onderste van de categorie erboven. Men noemt dit ”de Keten van Zijn”, ”the Great Chain of Being”.
Het systeem zat erg goed in elkaar!
Het paste bij het totale wereldbeeld dat men had, maar dat met de opkomst van de visie van Copernicus, Kepler en Galilei noodzakelijkerwijs verdween.

Lewis’ eigen heelal
In den beginne” was Maleldil, de heer van de eldils (engelen.) Maleldil heeft een Zoon, Maleldil de Jongere, die bij Hem woont en die de werkelijkheid ook tot leven geroepen heeft. Hij kent geen lichaam zoals wij dat kennen. In zijn wijsheid geeft Hij aan alle planeten een eigen ”eldil” om de zaak te runnen: zo’n ”engel” heet een Oyarsa; het meervoud is Oyeresu. In het heelal is het licht, een ons koesterend en genezend licht. Het is er niet duister, zoals wij denken! De Oyarsa van de Aarde, die verhevener is dan de anderen wordt geleidelijk aan de ”Bent One”. Hij wil zich meten met Maleldil en ook alle andere werelden vernietigen. De maan wordt door hem aangeraakt/aangevallen; de ene helft keert zich naar de aarde en de andere helft blijft gericht op de ”Deep Heaven”. Onder zijn invloed wordt de Aarde Thulcandra, ”de Zwijgende Planeet”.
De communicatie tussen ons en de rest van de kosmos valt weg...

Malacandra (Mars) is een oudere planeet dan de aarde en wordt door de slechte eldil binnengevallen. Vroeger was het er warm en waren er vele vogel-achtige soorten. Nu is het klimaat koud op het hoge land. Maleldil heeft het lage land ”handramit” een aantal warme bronnen laten openen, zodat de planeet van een koudedood gered wordt. Niettemin heeft op Malacandra een soort Zondeval plaatsgevonden. Ransom wordt tegen zijn zin daarheen getransporteerd en weet daar wat goeds uit te richten. Het lijkt erop dat Lewis geloofde in diverse mogelijke stadia van gevallenheid.

Op de derde planeet, Perelandra (Venus) die veel jonger is dan de aarde, staat er nog een Zondeval te gebeuren, die Ransom min of meer weet af te wenden. De planeet is de eerste die gemaakt is sinds de Incarnatie en kent geen eldil om haar te beschermen Er is geen zonde, maar er bestaat wel de kans op verzoeking.
Om redenen die kort worden belicht moet deze planeet bezocht én ook gered worden door een wezen dat van de aarde komt. Zonde is namelijk ook van de aarde ”geëxporteerd! Weston en Devine, twee mensen die het ”sanitaire cordon” rond de aarde doorbreken en de hoofdpersoon Ransom hebben gekidnapt, verspreiden de zonde over het zonnestelsel door mensen in een ruimteschip naar andere planeten uit te zenden.
In het derde boek, over de Aarde, blijkt dat ”de Kromme Oyarsa” zich vooral hier sterk maakt. Deze planeet is z’n hoofdkwartier geworden. De aarde hoort daarom in quarantaine te liggen! Er is sprake van een ultieme aanval op de aarde, niet, zoals men kan denken via het materialisme, maar langs geestelijke weg. Wel de weg van ’t kwaad! De boze machten zijn uit op contact met magie en zoeken Merlijn!
Tenslotte komen ze om. De krachten die ze in hun boosheid hebben opgeroepen zijn teveel voor hen. Het heelal komt Ransom en de zijnen te hulp: de sanitaire cordon (zeg maar de geestelijke quarantaine) die de Aarde van de rest van het heelal gescheiden houdt is doorbroken en de machten van Deep heaven kunnen de aarde te hulp komen. Dat betekent tenslotte de ondergang van de boze lieden die, al of niet beseffend wat ze doen, de boze Samenzwering op touw hebben gezet. (Die aanval op de aarde blijkt verder te gaan dan wat wij mensen in eigen kracht kunnen doen of beseffen.) Keuzes worden gevraagd: voor of tegen ’t Goede, voor of tegen de Ordeningen van de Schepper. C.S.Lewis’ Ruimtevaart-Trilogie is nog steeds verkrijgbaar bij uitgeverij Oosterbaan en Le Cointre te Goes. Zeer aanbevolen!

Voor de achtergronden heb ik deze drie boeken geraadpleegd:
C.S. Lewis, The Discarded Image; 1964;
Arthur Lovejoy, The Great Chain of Being; 1933;
E.M.W.Tillyard, The Elizabethan World Picture; 1943.
2007-2014 Persvereniging Opbouw