22 januari 2010, jaargang 54, nummer 2
Artikel 005542
Overwegingen bij het eerste hoofdstuk van de Bijbel (2) Niet als chaos schiep Hij de aarde Jaap Dekker Volgens Genesis 1:2 heerste er een chaostoestand, voordat God zijn eerste scheppingsdaad verrichtte. Die chaostoestand is niet door God geschapen, schreef ik de vorige keer, maar vormt het uitgangspunt van Gods scheppingswerk. Achter dit uitgangspunt vraagt Genesis 1 zelf niet terug.

Genesis 1 verkondigt ons een God die de aarde leefbaar heeft gemaakt. (Afbeelding van Anneke ‘Gods Geest zweefde over het water’)
Wanneer Genesis 1:2 een soort ‘voorwereld’ veronderstelt – al of niet bestaand, wordt het moeilijker om enkel vanuit Genesis 1 over een schepping uit niets te spreken. Prof. dr. Ellen van Wolde maakt daar nogal ophef over,1 maar dat lijkt mij ten onrechte.

Schepping uit niets
Het was al lang bekend dat de gedachte van een schepping uit niets niet met het in vers 1 gebruikte werkwoord zelf gegeven is en dat Gods scheppen in Genesis 1 veelal de vorm van het maken van scheiding heeft. Daarmee is echter niet gezegd dat het orthodoxe geloof in een schepping uit niets onhoudbaar is. Ook al wordt de chaostoestand als uitgangspunt genomen en maakt God voortdurend scheiding, Genesis 1 legt zoveel nadruk op het soevereine spreken waarmee God orde in de chaos schept, zonder dat er daarbij van enige strijd sprake is (vgl. Psalm 33:9), dat het feitelijk maar een kleine stap is naar de belijdenis dat God de schepping uit niets geschapen heeft (zie 2 Makkabeeën 7:28; Romeinen 4:17; Hebreeën 11:3). Genesis 1 sluit deze belijdenis geenszins uit.

Dualisme?
Maar kom je niet bij een vorm van dualisme uit, wanneer Genesis 1 een chaostoestand veronderstelt, die aan Gods eerste scheppingsdaad voorafgaat? Dat is inderdaad de conclusie die de bijbelgeleerde Walter Brueggemann trekt.2 Met het oog op Genesis 1 spreekt hij van een dualisme in de schepping. Hij signaleert daarin een botsing met het kerkelijk belijden, maar beschouwt het als een vorm van pastoraal realisme dat Genesis 1 de aanwezigheid van chaosmachten veronderstelt, die niet als Gods eigen scheppingswerk worden gezien. In zijn optiek verkondigt Genesis 1 weliswaar dat God soeverein is, maar ook dat Hij nog niet alle chaosmachten onder controle heeft. Bij gevolg wordt de schepping van tijd tot tijd bedreigd. Mijns inziens zit er inderdaad iets pastoraals in de wijze waarop Genesis 1 de chaostoestand als uitgangspunt neemt, maar een dualistische duiding hiervan veronderstelt ten onrechte dat de chaos een zelfstandige kracht tegenover God zou zijn. In vergelijking met de scheppingsverhalen uit de omringende wereld heeft de chaos in Genesis 1:2 in zichzelf geen enkele macht tegenover God.

Choas en kwaad
Daarom maak ik ook bezwaar tegen het isgelijkteken dat Brueggemann plaatst tussen de in vers 2 beschreven chaos en het kwaad. Deze identificatie voltrekt Genesis 1 zelf niet en is teveel vanuit het hier afwezige mythologische motief van de chaosstrijd gedacht. De in vers 2 beschreven oervloed en duisternis zijn weliswaar elementen die niet aan Gods scheppend handelen worden toegeschreven en potentieel bedreigend zijn (zie het zondvloedverhaal!), maar over de schepping als geheel wordt het oordeel ‘goed’ uitgesproken. Er is geen duisternis als zelfstandige macht buiten de schepping! God heeft de duisternis zelfs een plaats gegeven binnen zijn schepping, in bedwang gehouden door het geschapen licht. Ze kan Gods schepping dus niet van buitenaf bedreigen. Het begin van Genesis 1 bepaalt ons erbij dat we in een wereld leven waarin niet alles verklaarbaar is, waarin ook donkere en onbegrijpelijke dingen zijn, maar ook dat geen enkele macht buiten Gods controle staat. Als het om de vraag naar de oorsprong van het kwaad gaat, moeten we de eerste bijbelverzen niet overvragen. De in vers 2 beschreven chaostoestand wil niet meer en niet minder zeggen dan dat de aarde in het begin verloren lag, maar dat wij het aan de Schepper te danken hebben dat er een leefbare wereld tot stand is gekomen.

Unheimische werkelijkheid
Bij de in vers 2 genoemde duisternis moeten we niet in de eerste plaats denken aan een gewoon donker, als natuurfenomeen, maar aan een voor mensen unheimische werkelijkheid. De duisternis als verzamelnaam voor alles waarvoor je bang kunt zijn in het leven (vgl. Psalm 91:5). Wat dat betreft zit er inderdaad wel iets pastoraals in hoe Genesis 1 de schepping beschrijft. Genesis 1 gaat over het begin, maar heeft daarmee niet onze intellectuele oorsprongsvragen op het oog.3 Belangrijker zijn de vragen die mensen zich stellen wanneer zij zich bedreigd en kwetsbaar voelen (vgl. Jesaja 51:9-16) Genesis 1 verkondigt ons een God die de aarde leefbaar heeft gemaakt door licht te scheppen in de duisternis. God is er ook op uit de aarde leefbaar te houden. Daarom scheidde Hij het licht van de duisternis. Genesis 1 vertelt ons dus niet dat God de duisternis geschapen heeft en ook die goed noemde. In Genesis 1 wordt de duisternis juist niet aan God toegeschreven (anders dan in Jesaja 45:7). De uitspraak dat God zag dat het goed was, wijkt op de eerste dag daarom af van de daarop volgende keren. Deze constatering wordt expliciet op het licht betrokken en gaat vooraf aan de scheiding van het duister. Hiermee wordt voorkomen dat ook het duister onder het oordeel ‘goed’ zou komen te vallen.4

Van u is de nacht
Toch valt het duister daarmee niet buiten Gods bereik. Doordat God het licht dag noemt en het duister nacht, laat God zien dat Hij heer over alles is. Zelfs de nacht behoort Hem toe, zoals Psalm 74:16 zegt: ‘Van u is de dag, van u is de nacht’. Overigens suggereerde de beschrijving van de chaostoestand in vers 2 al dat Gods heerschappij ook daarin niet afwezig was. Zijn Geest zweefde boven het water en wekte daarmee al de verwachting van iets nieuws. In tijden dat mensen hun leven als donker ervaren en de wereld als een chaos kunnen zij aan het scheppingsverhaal van Genesis 1 moed en hoop ontlenen. Op een vergelijkbare manier beoogt ook Jesaja 45:18 dat. De centrale boodschap is daar dat God zijn volk in ballingschap niet vergeten is en redding zal brengen. Deze belofte wordt kracht bijgezet met een verwijzing naar de schepping: Dit zegt de heer, die de hemel geschapen heeft – hij is God! –, die de aarde gemaakt en gevormd heeft en die haar heeft gegrondvest – niet als chaos schiep hij de aarde, maar om te bewonen heeft hij haar gevormd: Ik ben de heer, er is geen ander.

‘In control’
Als lezers van Genesis 1 mogen wij al onze eigen chaoservaringen en angsten terugvinden in wat er over de chaos en het duister aan het begin van de schepping wordt gezegd. Daarbij maakt het niet uit of die chaoservaringen en angsten met ons persoonlijk leven te maken hebben of met de aarde en haar toekomst. Als we ons vervolgens maar optrekken aan de voluit evangelische boodschap dat God het licht geschapen heeft en dat Hij het licht goed noemde. Ook bij dat licht moeten we dan aan meer denken dan aan het licht als natuurfenomeen. De schepping van de zon komt in Genesis 1 pas later ter sprake. Hier gaat het om het licht waarvan God zelf de bron is (vgl. Jesaja 60:19-20). Het is hetzelfde licht dat ook in Jezus Christus schijnt en dat de duisternis niet in haar macht heeft gekregen (Johannes 1:5). Het evangelie van Genesis 1 luidt dat God de aarde niet aan de verlorenheid heeft prijsgegeven en ook nooit zal prijsgeven. Want om te bewonen heeft God de aarde geschapen. En als het daarom gaat, dan is Hij nog steeds ‘in control’.

Dr. Jaap Dekker is predikant van de NGK van Enschede en docent bijbelvakken aan de Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding.


Voetnoten
1 Ellen van Wolde, Terug naar het begin. Waarom Genesis 1:1 niet gaat over Gods schepping van hemel en aarde, Nijmegen 2009.
2 Walter Brueggemann, Theology of the Old Testament: Testimony, Dispute, Advocacy, Minneapolis 1997, blz. 534-535.
3 Volgende keer geef ik aandacht aan de boodschap die Genesis 1 met het patroon van de zes scheppingsdagen communiceert.
4 Terwijl de constatering dat God zag dat het goed was de eerste keer wordt vervroegd, wordt deze constatering de laatste keer, bij de schepping van de mens, min of meer opgeschort. Wel wordt de mens in het algemene oordeel over de schepping meegenomen (Genesis 1:31). Wordt hier op een subtiele wijze al in rekening gebracht dat over de mens weldra het tegengestelde gezegd moet worden (zie Genesis 6:5 en 12)?
2007-2014 Persvereniging Opbouw