| ‘Stel je voor,’ zei iemand uit de kerk tegen mij, ‘dat iemand mij een gemene streek geleverd heeft. Ik zou het erbij kunnen laten zitten en het hem vergeven. Ik zou er ook werk van kunnen maken. Maar dan doe ik één ding zeker niet: mijn zoon een blauw oog slaan en zeggen dat daarmee de zaak wel in orde is. In het laatste geval maak ik twee fouten: ik heb niet vergeven, wat de Here ons uitdrukkelijk leert, en ik heb mijn woede op de verkeerde verhaald.’ |