12 januari 1996, jaargang 40, nummer 1
Artikel 006625
Hij geeft het zijn beminden (bij voorkeur) in de slaap 'De rijkdom van Christus' P.J. van Kampen Aangezien ik een beperkte garderobe heb, probeer ik niet te vaak of te snel mijn kleren te scheuren. Net als de meeste mensen tracht ook ik als een redelijk evenwichtig mens door het leven te gaan; dat houdt onder andere in dat ik niet min hele dag vul met het schrijven van ingezonden brieven aan de krant vanwege weer iets nieuws dat mijn verontrusting opwekt of de telefoon pak om een nog onontdekte boosdoener die de kop opsteekt er tegelijk van langs te geven.

Verontrusting
Tegelijk neemt mijn verontrusting over bepaalde zaken niet af en heb ik zo nu en dan toch wel de behoefte om aan dat gevoel lucht te geven. Dat gevoel heb ik, als het gaat om toenemende criminaliteit en corruptie, tot in de hoogste regionen van de samenleving toe, maar zeker ook bij bepaalde ontwikkelingen in de Kerk. De Kerk in de ruimste zin van het woord, overigens.
Het gedrag en onderricht van 'omgevallen dominees', zoals een vriend dat noemt (hij is zelf emeritus-predikant), is iets dat zo mijn aandacht van tijd tot tijd enigermate opeist. Met die term bedoel ik mensen 'in het ambt', diemet bezoldiging door de gelovige goegemeente - als christen begonnen zijn maar nu enthousiast bezig zijn de tak af te zagen waarop ze zitten, of die, om het beeld te variëren, een lading springstof willen leggen bij het Vaste Fundament van de Kerk van alle eeuwen en plaatsen! Die niet gewoon zeggen: "ik ben mijn geloof kwijt en dat is zo groot verlies dat ik een half jaar ervoor uit trek om met me zelf in het reine te komen; ik moet weten of God er wel is of niet en of Hij zo is als de Bijbel zegt." Die ook niet zeggen: "Ik ben mijn geloof kwijt, dus trek ik me uit het ambt terug, begin een keten alternatieve geneeswinkels of een boekhandel of ga met levensverzekeringen langs de deur." Voor die houding zou ik veel respect kunnen opbrengen!
Maar nee, zulke mensen blijven meestal gewoon op hun plaats zitten, zetten de blik op oneindig en met gegoochel van termen doen ze alsof ze nog de waarheid van Christus zijn toegedaan. Vooral als het gaat om mensen die in het verleden een echt 'evangelische' uitstraling hadden, wekt zo'n verhaal bij mij gevoelens op van irritatie, maar ook echte deernis.

Een artikeltje in de krant
Om maar 'man en paard' te noemen (in dit geval vrouwen paard): ik ervoer zulke gevoelens bij het lezen van een bijdrage van een Hervormde predikante in het dagblad 'Trouw'. Recent werd door Mevrouw Marianne Suurmond-Vonkeman, in samenspraak met een Joodse rabbijn en een Islamitische 'gesprekspartner', een bijdrage geleverd onder de kop 'De rijkdom van Jezus'. Daaruit neem ik een aantal relevante gedeelten over: ,,'Ik respekteer de moslims, maar ik wil graag de rijkdom van Jezus met hen delen', vertelt iemand me. 'Dat is mooi', antwoord ik, 'en heb je de rijkdom van Mohammed al ontvangen?' De stilte aan de andere kant van de lijn is veelzeggend. Later denk ik erover na. Toen ik tiener was liep ik op straat te 'getuigen van Jezus', zoals dat heet. Het delen van de rijkdom van Jezus was eenrichtingsverkeer: ik had iets wat anderen ontbrak en dat wilde ik verhelpen. Een onontwarbaar mengsel van innig geloof en de behoefte om belangrijk te zijn, dreef me.() Later deed ik mee aan grote evangelische manifestaties. Openlijk kleur bekennen, je geloof laten zien aan anderen, laten merken wat de bron is van je bestaan - en waarom ook niet. Maar dat ging allemaal wel vanuit een superieure positie Ik wist hoe het zat. De rijkdom van Jezus was iets dat ik had en kon doorgeven als een kant en klaar pakketje geloof voor ieder die het wilde aannemen.
Gelukkig is het leven sterker dan de leer. En de rijkdom van Jezus werkelijker dan het pakketje dat ik bezat.
Eerst gaf geloven in Jezus oriëntatie doordat het een antwoord verschafte op mijn levensvragen. Later werd Jezus niet meer als antwoord, maar als vraag richtinggevend - en dat is nog steeds zo. Zoals Moeder Teresa of Nelson Mandela een vraag vormen.
Als het mogelijk is om op deze wijze onbevreesd mens te zijn voor anderen, waarom zijn wij dat niet allemaal? Wat weerhoudt mij? Jezus biedt hierin een ultiem model voor me: zo is een mens die op God lijkt. Als mensen zo met elkaar leven, kun je met recht zeggen: God is in ons midden.
Toch is dit inspirerende mens-model niet de grootste rijkdom, de diepere waarde ligt verborgen op een diepere laag, daar waar ik passiever ben. Daar heeft het een eigen werkingskracht waar ik alleen achteraf een glimp van zie of soms in een droom iets van proef. Zoals die keer dat ik droomde van alle mensen die ik bemin. Ik zag ze een voor een en allemaal tegelijk, iedereen die ik ooit had liefgehad, levend of gestorven of uit mijn blikveld verdwenen, ze waren er allemaal, in de vorm van een grote gestalte. 'Dit is de Christus', wist ik in mijn droom en van ontzag schrok ik wakker. Christus, voor mij naam en symbool van wereldomvattende liefde. Hoe meer beminden, hoe groter de Christus...
In de psychologie wordt het wel de symbolische laag van een mens genoemd.() Hier is het dat het gebedskleed van de moslim een vliegend tapijt naar God toe wordt.() Hier is het dat de mens Jezus in zijn levende symboolwerking Christus wordt voor mij, steeds opnieuw en steeds omvattender.() We veranderen onszelf door de dingen die we doen, maar tegelijk, op een nog wezenlijker laag, worden wij veranderd, door de inwerking van godsdienstige rituelen en symbolen. De rijkdom van Jezus is daarom voor mij nu juist dat ik de rijkdom van God in andere gedaanten leer zien en ontvangen. De joodse chassidische verhalen zijn al jaren bron van inspiratie en correctie van mijn christelijk geloof. Islamitische bronnen zijn mij minder bekend. Misschien heb je suggesties, Sajidah? (De naam van de islamitische gesprekspartner.)"

Ik moet zeggen dat ik dat verhaal met droefenis las. De naam van de schrijfster, die ik niet persoonlijk ken, is in het verleden verbonden geweest met het werk van de Charismatische Werkgemeenschap Nederland. En misschien doet ze daar nog wel van alles; ik weet het niet. Maar hoe 'evangelisch' ze in het verleden ook geweest mag zijn, en hoe mogelijk vast verankerd in het huidige kerkelijke bedrijf, een ding is mij duidelijk: haar verhaal over 'de rijkdom van Jezus' heeft niets te maken met geloof in de Christus der Schriften! Omdat ik haar niet persoonlijk ken, kan ik geen zinnig woord opmerken over haar ambtsbediening in Vlaardingen, waar ze, naar 'Trouw' meldt, predikante is. Naar ik hoop en denk, zal ze met voorbeeldige toewijding haar werk verrichten onder kwetsbare mensen zoals u en ik. Het zou alleen te wensen zijn dat ze die mensen een Hoop en een Nabijheid zou tonen die te maken heeft met de Jezus van Nazareth die tegelijkertijd de Eniggeboren Zoon van God is! Met deze Jezus, die zij in het artikel aanprijst, die vooral als vraag voor haar mag functioneren, lijkt 't me namelijk uitkijken.
De model-mens, waar mevrouw Suurmond haar inspiratie naar eigen zeggen bij opdoet, valt vooral op in wat Hij niet is: Hij is ongetwijfeld waarachtig mens, een 'model'. Met dat verhaal kan ik redelijk instemmen, mits er maar meer komt en dat gebeurt niet!
De 'Jezus' van Mevrouw Suurmond is geen 'Licht uit Licht, Waarachtig God uit Waarachtig God', zoals de Geloofsbelijdenis van Nicea zegt. De belijdenis van Thomas, 'mijn Heer en mijn God', komt niet meer aan bod en dat geldt ook voor Chalcedon of de Confessies van de Hervorming; het blijft kennelijk allemaal ongezegd. En dat heeft wel de nodige consequenties.

Carl Gustav Jung
Ik zou graag een paar nadere opmerkingen maken bij dit stuk. Daarbij heb ik niet alleen dit stuk op het oog, maar denk ik ook aan een aantal andere schrijfsels van (al of niet erkende) gnostieke aard. 'New Age-theologie', met andere woorden of, om een oudere term te gebruiken, gewoon ketterij!
Daarvoor moet ik een omweg maken en een moment spreken over de Zwitserse psychiater en goeroe Carl Gustav Jung (1875-1961). Jung, die trouwens een predikantszoon was, is jarenlang medestander van de psychiater Sigmund Freud geweest, tot ze in 1913 met elkaar braken. Freud, die een Jood was, maar allerminst een gelovige Jood, liet zich in toenemende mate negatief en laatdunkend uit over de religie. Jung ging daarentegen de rol van de religie in het mensenleven steeds belangrijker achten; steeds meer ook stelde hij dat de godsdiensten geworteld en gegrond zijn in de diepe ervaringen van mensen, ook in hun onbewuste psychische functioneren.
Daarbij onderscheidde hij dat Onbewuste in een 'persoonlijk onbewuste', waarin alle unieke ervaringen van een bepaald persoon bewaard bleven, en een 'Collectief Onbewuste', dat de ervaringen van 'de hele menselijke soort' bevatte. Dat Collectieve Onbewuste was een soort groot reservoir, waarin al de ervaringen van de mensheid, van alle tijden en plaats op de een of andere manier opgeslagen lagen. Die ervaringen kwamen tot uiting in dromen, vooral specifieke dromen met religieuze lading, in mythen en in symbolen. Bepaalde begaafde mensen, kunstenaars en zo, hadden op speciale wijze toegang tot dit enorme Reservoir en konden met hun kunst dingen zo in woorden vatten of in beeld brengen dat het bij anderen diepe snaren raakte. Het gevolg was dat (vooral vrouwelijke) bewonderaars, die psychisch behoorlijk gezond waren - ze waren zeker geen patiëntenenthousiast en uitvoerig eigen dromen opschreven, analyseerden en bepeinsden.
Ook maakten sommigen tekeningen of schilderijen van hun dromenalles intens religieus werk! Een stelling van Jung was dat b.v. 'mandala's', gewijde tekeningen met een bepaalde structuur die binnen 't Hindoeïsme en ook het Boeddhisme veel voorkomen, behoorden tot de universele bagage van de mensheid. Hij merkte ze ook op in het werk van mystici in het Westen, b.v. zijn landgenoot Nikolaus von der Flue, een middeleeuwse ascetische meneer.
Was Jung dus uitgesproken positief over de religie en de rol van de religie als geestelijk/psychische gezond maker, hij wou zich niet uitspreken over de waarheid van specifieke religies en vormen van godsdienstigheid! Hij verklaarde dat hij Hindoe en Christen was, allebei en tegelijkertijd. Deze opstelling die de sterkste oecumenische gezindheid onder ons toch wel te boven gaat, hing samen met z'n visie dat de religie in laatste instantie een uiting is van menszijn. Of God en de goden er werkelijk zijn is de vraag; we ervaren ze echter als zodanig wel echt en ze hebben grote betekenis voor ons. Hij spreekt over de noodzaak om ons verscheurde wezen weer te integreren.
Dat door hem 'Individuatie' genoemde integratieproces waarbij de Bewuste en Onbewuste krachten in onze Psyche tot evenwicht moeten komen heeft onmiskenbaar religieuze trekken. Jung liet zich ook steeds positiever uit over 'Gnosis', alchemie en zaken uit de occulte traditie. Je krijgt de indruk dat Het Goddelijke in ons geboren wordt, naarmate we meer in evenwicht met ons Zelf raken...

'Roodkapje' geduid
Welnu, laten we eens een peiling doen naar de dimensie van de Geest in een ander verhaal dan het verhaal van 'Jezus'. Laten we eens letten op het sprookje van Roodkapje. Ik probeer dat op quasi-jungiaanse wijze te doen.
Roodkapje is, naar we allen weten, een meisje - het expliciet vermelden dat het hier om een vrouwelijk wezen gaat verwijst naar de rechter hersenhelft, die de zetel is van onze 'vrouwelijke' intuïtieve vermogens. Roodkapje gaat op weg naar Grootmoeder (symbool van de in een mens gegroeide spirituele functie, de Geest). Dan is er de Wolf die haar onderweg benadert, verlokt en verslindt. Deze staat uiteraard voor de lokroep van de materie, die, naar blijkt, tot onze dood leidt. De Wolf vertegenwoordigt dus het Stoffelijke, dat in eerste instantie wel schijnt te winnen, maar tenslotte het laatste woord niet heeft. Als Roodkapje (wier rode hoofddeksel al door de belangrijke psycho-analyticus Bruno Bettelheim een verwijzing naar menstruatie wordt geacht) na een woelige tocht door het bos (het ruwe leven) in de maag van de Wolf beland is, lijkt elke kans op Wederkeer, op wat de Christenen, Joden en Moslims 'Opstanding' noemen, verdwenen. De dood heeft gewonnen. Op een goed moment verschijnt echter, zoals we weten, de Jager ten tonele. Dat is verzinnebeelding van de Goddelijke Impuls die ons steeds weer de stoffelijke werkelijkheid wil laten overstijgen, die ons tot het Hogere wil trekken, de mogelijkheid van Verlichting ook al in dit bestaan ons voor ogen stelt. De Jager bevrijdt Roodkapje en haar grootmoeder uit de buik van de Wolf, zoals eenmaal in de mythe van Jona de profeet uit de buik van de vis wordt gered. Ook Roodkapjes verhaal gaat dus over het thema van menselijke sterfelijkheid en beperktheid die door een grootser en wijdser Eeuwigheidsperspectief wordt omgeven. 'Het Eeuwige Heimwee van de mensheid', de voortdurende hunkering naar onsterfelijkheid, eeuwigheid en gnosis, vindt in Roodkapjes relaas treffende uitdrukking. Om die reden moeten we dan ook het verhaal van Roodkapje tot de geïnspireerde geschriften der mensheid rekenen.
Wie de diep-spirituele dimensie ervan opmerkt - de Verlichting die de zwaar getroffen Roodkapje ervaart, als ze het licht van de dag weer ziet, terneergezeten in de buik van de Wolf - heeft in opmerkelijk zuivere zin de hand gelegd op wat zo ontroerend alle eeuwen door de ganse mensheid bezield heeft.
Sprookjes leiden de mens tot Gnosis.

Grote flauwekul!
Vermoedelijk hebt u dit stuk met stijgende verbazing en ook wellicht met toenemend ongenoegen gelezen. En u hebt gelijk! Dit is kolder en geen weldenkend mens zou er iets anders van maken. Dit 'spiritueel' interpreteren van het sprookje van Roodkapje is ook geen ogenblik serieus bedoeld. Niettemin is het wellicht goed om een poging tot duiding van dit sprookje - en dit is dus onzin - te leggen naast dit wel serieus te nemen verhaal van mevrouw Suurmond. Als voor haar het verhaal van 'Jezus' zulke diepe snaren raakt, waarom mag dat voor mij dan niet zijn de Mythe van Roodkapje? Het meest hebben we immers aan de 'verhalen' die ons op weg helpen naar het ontdekken van onze spiritualiteit en 'symbolische laag'. Laat ik dan maar heel direct zijn: ik heb niet de minste interesse in de dromen van mevrouw Suurmond, die ongetwijfeld spiritueel zijn en stellig ontroerend en nog wel heel wat meer aantrekkelijke kanten zullen hebben. Het is echter een en al 'eigendunkelijke godsdienst' die hier wordt aangeprezen. Ik zou alleen willen weten: Gaat deze 'Jezus' me redden in het uur van gevaar en het uur van mijn dood? Is Hij de doorgang naar nieuw leven en kan hij dat wel? Is Hij zelf opgestaan? "Het Christendom is vele malen gestorven en weer opgestaan, omdat het een God heeft die weet hoe je uit een graf moet komen" zegt de Britse schrijver Chesterton.
Mijn vraag is: is dat deze 'Jezus'?
"Laten opstaan en u redden, zij die de hemel indelen, die de sterren waarnemen, die u maand voor maand doen weten wat u overkomen zal." Dat zegt Jesaja in zijn uitspraken over de ondergang van Babel (Jesaja 47:13).
De astrologen en spirituele zieners van die tijd, de New Agers van toen, die ongetwijfeld net zo opgetogen waren over hun hele of halve, hun begrepen of onverteerde, occulte leringen als 'ingewijden' van nu, krijgen een toets: Laat, als het erop aan komt, eens zien wat je eraan hebt! Dat lijkt me goed nuchter en goed bijbels. De 'Jezussen' van het vrome, charismatische of occulte gemoed zijn zeer verscheiden, maar een ding hebben ze gemeen: ze zijn niet van God gekomen en ze voeren ons niet tot God, de God van de Bijbel wel te verstaan! Het soort predikanten of anderen die door een 'authentieke geestelijke ervaring' tot toenemende afwijking van de Schrift komen, voert op een levensgevaarlijke weg. De Gnostieke aanlengers van god, degenen die onbegrepen voorkeur voor Homeopathie hebben en geloven dat de kracht van Christelijke Boodschap toeneemt, naarmate men de inhoud ervan sterker verdunt, we moeten hun visie en gedrag, modieus als het nu is, zeer argwanend volgen. Waar 'Yin, Yang en Jung' als alternatieve drievuldigheid wordt beleden, waar men verkondigt dat vanaf heden "God het zijn beminden het liefst in de slaap geeft", als God zijn naam uitsluitend "in onze diepste dromen uitzaait" (Lied 487:3) en nergens anders, als men met allerlei semantisch gegoochel de naam van de Gezegende Verlosser geeft aan ongeacht welk psychologisch product dan ook, dan wordt het zeer uitkijken!
Zo zeg ik tegen mevrouw Suurmonden dat doe ik met spijt en niet met vreugde: "Als u op deze weg voortgaat, heb ik een prettige en een onprettige boodschap voor u. Prettig is dat u in deze wereld nooit vervolgd zult worden! (Liberaal) Joodse en Islamitische gesprekspartners zult u met uw getuigenis niet gauw op het hart trappen.
Dat is fijn in onze plurale tijd.
Er is echter nog een vraag, en die zal niet zo lekker vallen: Wat zou Christus daar nu van vinden? In Openbaring 3 contrasteert Hij de opvatting van de gemeente van Laodicea met de die van zichzelf. Zij zeggen: "ik ben rijk en ik heb aan niets gebrek". Hij zegt: Zie je niet dat je arm bent en naakt? Hij raadt die gemeente aan om zijn ogenzalf te kopen, opdat ze zullen zien."
De vraag is dus: Wat is dan wel die 'rijkdom van Christus'? Is het niet dat we Hem mogen toebehoren?
2007-2014 Persvereniging Opbouw