12 januari 1996, jaargang 40, nummer 1
Artikel 006627
Joh. 1:1-5 In den beginne was het woord H.J. Bruins Voor de vier evangelisten gaat Johannes het verst terug in de tijd, wanneer hij de herkomst van onze Here Jezus Christus verhaalt. Markus begint zijn evangelieverhaal met het optreden van Johannes de Doper. Mattheüs en Lukas vertellen over de geboorte van Jezus uit de maagd Maria en hebben ook allebei een geslachtsregister van Hem in hun evangelieboek opgenomen, dat bij Mattheüs tot Abraham en bij Lukas zelfs tot Adam terug gaat. Johannes echter laat aan zijn evangelieverhaal, dat bij hem net als bij Markus met Johannes de Doper begint, een voorwoord voorafgegaan, waarin hij de oorsprong van onze Heiland terugvoert tot voor de schepping.

De geslachtsregisters bij Mattheüs en Lukas gaan namelijk over de afstamming van Christus als mens en kunnen dus nooit verder gaan dan de eerste mens, Adam - al vermeldt Lukas er nog wel bij, dat Adam 'van God', d.w.z.: rechtstreeks uit Gods handen voortgekomen was. Christus is echter niet alleen mens, Hij is ook God, en over de herkomst van Christus als God gaat de 'proloog' van het evangelie naar Johannes.
In die 'proloog' gebruikt de evangelist echter wel een heel merkwaardige benaming voor Christus, zoals Hij was, voordat Hij door Maria in de moederschoot ontvangen werd. Hij zegt niet, wat we misschien zouden verwachten: "In den beginne was Christus", of: "In den beginne was de Zoon", maar: "In den beginne was het Woord".
Hoe komt Johannes erbij, Christus zo te noemen: 'het Woord'?

Het Woord: Gods uitgesproken bedoeling
Je hoeft geen groot bijbel kenner te zijn om meteen de overeenkomst op te merken tussen de beginwoorden van Johannes en die van het eerste boek van de Bijbel. 'In den beginne' wil zeggen: toen God hemel en aarde schiep. Toen, zegt Johannes, was het Woord er.
En als de evangelist daarna zegt: "alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder het Woord is niets geworden dat geworden is", verwijst ook dat naar Genesis 1, waar we telkens lezen, dat God zei dat iets er moest zijn, en dat het er dan ook kwam, zodat de schepping er gekomen is door het woord van God, zoals ook in Psalm 33 staat: "Door het woord des HEREN zijn de hemelen gemaakt, door de adem van zijn mond al hun heer."
God heeft de wereld geschapen door te spreken, door zijn woord. Wat betekent dat?
Als wij mensen spreken, brengen we gedachten die we in ons hebben, zo naar buiten, dat anderen er kennis van kunnen nemen. Daarmee leggen we ons dan ten overstaan van die anderen, onze hoorders, vast. Want zo lang we onze gedachten niet hebben uitgesproken, kunnen we van gedachten veranderen, zonder dat iemand het merkt. Maar door gedachten uit te spreken, maken we het anderen mogelijk ons aan onze eigen gedachten te herinneren. Een ander kan dan bijvoorbeeld tegen ons zeggen: Hé, daarnet zei je dit, nu zeg je dat; hoe zit dat?
Een gedachte die je uitspreekt, gaat, met dat je haar uitspreekt, als het ware een eigen leven leiden, als iets buiten je - zodat je van buiten af aan je eigen gedachte herinnerd kunt worden - als iets tegenover je.
Dat is waar we aan moeten denken, als we in de Bijbel lezen, dat God 'sprak' bij de schepping. Toen God de wereld schiep, deed Hij dat met een bepaalde gedachte, een bepaalde bedoeling. Maar die gedachte, die bedoeling heeft Hij niet voor zich gehouden, Hij heeft die uitgesproken.
Hij heeft zijn bedoeling naar buiten gebracht in een woord.
En nu zegt Johannes, dat God dat al gedaan heeft, voordat Hij met scheppen begon. In den beginne, toen God begon te scheppen, was het Woord er al; toen had God de bedoeling van zijn scheppingswerk al naar buiten gebracht en vastgelegd.
Hoe kan dat? Voor de schepping was er immers niemand buiten God. Er was dus niemand die zijn woord kon horen, en dus ook niemand die Hem aan zijn gesproken woord kon houden.
Ja, maar God is geen mens. Als wij mensen een woord spreken en er is niemand die het hoort, dan is het voor niets gesproken, dan is het meteen weer weg. Maar het Woord waarin God zijn bedoeling met zijn schepping heeft uitgesproken, is gebleven. Het was er, toen God de wereld schiep.
En het was niet zomaar ergens, "het Woord was bij God", zodat God - ik spreek op menselijke wijze - bij al zijn scheppingswerk voortdurend herinnerd werd aan, aangesproken werd op, zijn oorspronkelijke bedoeling. Zijn Woord, dat bij Hem was, sprak Hem erop aan. En dat met goddelijk gezag, want: "het Woord was (zelf) God", zodat God - ik spreek weer op menselijke wijze - niet anders kon dan zich bij heel zijn scheppingswerk houden aan zijn oorspronkelijke bedoeling en daar alles wat Hij schiep aan dienstbaar maken.
Zo is toen heel de schepping, al wat geworden is, geschapen om dienstbaar te zijn aan die ene oorspronkelijke bedoeling van God, die Hij al voor de schepping had uitgesproken. "Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder het Woord is geen ding geworden dat geworden is. Het ganse heelal: mensen dieren en planten, land water en lucht, zon, maan en sterren, ja zelfs de verste sterrenstelsels, ze zijn allemaal geschapen om een rol te spelen in dat ene grote plan van God, dat Hij al voordat Hij begon te scheppen, naar buiten gebracht en vastgelegd had in zijn Woord.

Het Woord: een 'Hij'
Maar een woord dat blijft bij degene die het gesproken heeft, en hem toespreekt met een gezag even groot als dat van de spreker zelf... dat kan geen.
gewoon woord zijn zoals de woorden die wij dagelijks spreken. Zo'n woord moet haast wel zoiets als een persoon zijn, want alleen van een persoonlijk wezen kun je zeggen, dat hij bij je is en is als jij.
Maar dat wàs het Woord dan ook: een Persoon. Dat is namelijk wat de evangelist zegt in vers 2. Dat vers is eigenlijk niet goed in het Nederlands te vertalen, en wel omdat 'woord' in het Nederlands onzijdig is: het woord, terwijl het in het Grieks, de taal waarin Johannes zijn evangelie geschreven heeft, mannelijk is: de logos. Bij 'het woord' hoort als aanwijzend voornaamwoord: 'dit'. Daarom kunnen wij vers 2 niet anders vertalen dan met: "Dit was in den beginne bij God". Er staat echter: "Deze (of: hij) was in den beginne bij God".
Als je dat hoort, denk je meteen aan een persoon. En dat is ook precies wat de evangelist wil.
Vers 2 is daarom meer dan - wat het in de Nederlandse vertaling lijkt - een verkorte herhaling van vers 1. In vers 2 spreekt de evangelist duidelijk uit, wat hij in vs. 1 reeds heeft laten doorschemeren, dat het Woord, waarin God al voor de schepping zijn bedoeling met de schepping naar buiten heeft gebracht, een Persoon was, een 'Hij'.
En die Persoon is daarna voortdurend bij God gebleven, zodat in Hem de Schepper gedurende heel zijn scheppingswerk zijn oorspronkelijke bedoeling steeds voor ogen heeft gehadmet als gevolg dat wat er geschapen werd, geheel en al voortkwam uit die ene oorspronkelijke bedoeling van God.

Leven en licht
Maar wat hield die oorspronkelijke bedoeling van God dan in? Daarover komt Johannes te spreken in vers 4: "In het Woord (letterlijk staat er: in Hem) was leven en het leven was het licht der mensen."
Gods oorspronkelijke bedoeling met zijn schepping, die Hij al voor de schepping naar buiten heeft gebracht in zijn Woord, hield leven in, hield in, dat er geleefd zou moeten worden.
Maar als Johannes het hier over 'leven' heeft, bedoelt hij niet het leven waar de biologie zich mee bezig houdt. Wat hij bedoelt te zeggen is niet, dat de goddelijke gedachte waaruit heel de schepping is voortgekomen, inhield dat er een wereld zou moeten komen met levende wézens,' zoals planten en dieren. Niet dat dat niet ook al vanaf het begin Gods bedoeling is geweest, maar dat is niet wat de evangelist hier op het oog heeft.
Nee, met het leven dat in het Woord was, bedoelt Johannes een heel speciaal soort leven. Hij vervolgt namelijk: "en het leven was het licht der mensen".
Het is hem dus te doen om leven dat "het licht der mensen" is.
Om wat voor leven gaat het dan? Wel, in de eerste plaats gaat het kennelijk om leven dat bedoeld is om door mensen geleefd te worden en niet door dieren of planten. En ten tweede gaat het om leven dat door die mensen beleefd wordt als licht.
Wat Johannes hier zegt, doet denken aan wat we Jezus horen zeggen in Joh. 8:12: "Ik ben het licht der wereld; wie Mij volgt zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben."
Om te kunnen leven heb je als mens licht nodig, want zonder licht kun je niet zien en zien is kennen. "Wie in de duisternis wandelt", zegt Jezus in Joh. 12:35, "weet niet waar hij heen gaat".
Wie het moet doen zonder licht, zonder kennis, heeft geen leven maar leidt een richtingloos, een doelloos bestaan. En dan gaat het dan vooral om kennis van God. Zonder kennis van God heeft een mens geen leven. Althans, dan heeft hij niet het leven waarvoor een mens bedoeld is, het ware, het 'eeuwige' leven. Want: "Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God", horen we de Here bidden in Joh. 17:3.
Maar 'God kennen' is in de Bijbel heel wat meer dan alleen maar weten dat God bestaat en zijn eigenschappen kunnen opsommen. God kennen is in de Bijbel: met God omgang, gemeenschap hebben. Dat is het leven waar het in Joh. 1:4 over gaat, dat het licht der mensen is: het leven in gemeenschap met God. Dat, zegt Johannes, was wat God voor ogen had, toen Hij de wereld ging scheppen, wat Hij zichzelf voor ogen gestéld had door het naar buiten te brengen en tegenover zich te plaatsen in het Woord: dat er mensen zouden komen die Hem zouden kennen, die in gemeenschap met Hem zouden leven. Uit die bedoeling van God is heel de schepping voortgekomen: niet alleen de mens zelf, maar ook de planten en de dieren; niet alleen de liefelijke heuvels en dalen, maar ook de 'groene hel' van de Amazone en de onherbergzame toendra's; niet alleen de aarde, maar ook de verste sterrenstelsels - alles is geschapen terwille van dat ene doel: dat wij mensen in gemeenschap met God zouden leven. Onvoorstelbaar? Niet te geloven? Toch is dit het, wat de Heilige Geest hier door Johannes zegt.

In de duisternis
Dat was tenminste in den beginne Gods bedoeling: dat al het geschapene zou bijdragen om de mens te doen leven in gemeenschap met Hem.
Maar wat is daarvan terecht gekomen?
Daar gaat de evangelist het over hebben in vers 5. Want nadat hij in de eerste vier verzen steeds in de verleden tijd heeft gesproken, over hoe het in den beginne was, gaat hij in vers 5 over op de tegenwoordige tijd: hoe het nu is.
En dan valt het woord 'duisternis'.
Waar komt die duisternis zo opeens vandaan, daar toch alle dingen geworden zijn door het Woord, dat leven en dus licht inhield?
Het antwoord op deze vraag, dat de evangelist kennelijk bij ons bekend veronderstelt, luidt: Die duisternis heeft de mens in de wereld binnengehaald door de zondeval. Want de zondeval bestond ten diepste hierin, dat de mens het leven in gemeenschap met God, het echte leven, dat het licht der mensen is, afwees; dat hij de duisternis van het bestaan zonder God verkoos boven het licht des levens.
Maar, zegt Johannes, al heeft de mens het licht, de gemeenschap met God afgewezen, God is gebleven bij wat Hij zich voor de schepping voor ogen had gesteld in het Woord. Het Woord is bij Hem gebleven als een voortdurende herinnering aan zijn oorspronkelijke voornemen. Zich houdend aan zijn Woord is God gemeenschap blijven zoeken met ons mensen.
Dankzij het Woord, dat leven, dat licht inhoudt, schijnt nu toch nog steeds het licht, dat voor de mens gemeenschap met God en daarmee leven mogelijk maakt. Dat licht "schijnt (nu) in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen." De duisternis, de afwijzende, de vijandige houding waarop God bij ons mensen stuit, wanneer Hij gemeenschap met ons zoekt, heeft Hem er niet van kunnen weerhouden gemeenschap met ons te blijven zoeken.
Dit alles dankzij het Woord, waarin God al voor de schepping zijn voornemen van leven en licht voor de mensen naar buiten heeft gebracht, en dat Hem daarna steeds bijgebleven, steeds bij Hem gebleven is, niet maar als een 'het', een ding, maar als een 'Hij', een Persoon. Dankzij die Persoon, dankzij het Woord, dat licht inhoudt, schijnt nu toch het licht, dat door alle duisternis van menselijke vijandigheid heen toch gemeenschap tot stand brengt tussen God en mens.

Die Persoon - zijn naam is nog niet gevallen in de vijf verzen die we tot nu toe gelezen hebben. Maar het is natuurlijk Jezus Christus, Gods Zoon.
Hij is het, in Wie God zijn voornemen, mensen in gemeenschap met Zich te doen leven, naar buiten gebracht heeft, en door Wie Hij het ook ten uitvoer brengt. Hij is het licht dat in de duisternis schijnt, dat door onze Godevijandigheid heen breekt. Het licht dat ook heel de schepping weer voor ons in het juiste licht zet. Want de mens die in de duisternis wandelt, die gekozen heeft voor een bestaan zonder God, is in de schepping voortdurend op zoek naar middelen om het zonder God te redden. En dan gaat het geschapene - geld, huis, auto, seksualiteit, muziek, wetenschap, noem maar op - steeds meer tussen die mens en God in staan en hem het zicht op God benemen. Maar waar het licht van Christus schijnt, daar hoort men de hemelen weer Gods eer vertellen, ja daar komt heel de schepping weer in dienst te staan van het leven van de mens met God. Daar komt alles tot zijn doel: Gods doel.
2007-2014 Persvereniging Opbouw