11 mei 2007, jaargang 51, nummer 10
Artikel 000691
Column Asielzoeker Jeannette Westerkamp
Ken is ontzettend donker. Ik heb heel wat donkere mensen gezien, maar Ken is zwart als de nacht, zodat zijn ogen haast licht geven en zijn tanden schitteren. Hij heeft bovendien een gedrongen figuur. Niet een erg mooie jongen. Maar de vriendelijkheid zelve, altijd goedlachs. Drieëntwintig. Hij heeft in drie jaar uitstekend Nederlands geleerd.
Ineens zit hij in de gevangenis. Hij vraagt meteen om een bijbel en komt naar de kerk en de gespreksgroep waar hij heel actief mee doet. ‘Dit is leuk,’ zegt hij, ‘samen praten over belangrijke dingen. Dat heb ik gemist.’ Hij vertelt niets over zichzelf de eerste weken. Dan wil hij toch een gesprek. Hij heeft grote problemen, zegt hij.
Als hij wordt veroordeeld zal hij vast het land moeten verlaten. Hij heeft, na drie jaar, de toezegging van een verblijfsvergunning, maar die kan nog ingetrokken worden. ‘Wat heb je dan gedaan?’ ‘Ik word beschuldigd van aanranding’, zegt hij zonder me aan te kijken. ‘Maar het ging zo: ik zit al drie jaar in een asielzoekerscentrum.
In het begin was ik heel blij. Maar ik ga me zo vervelen. Ik ben nooit naar school geweest. Ik heb altijd gewerkt, van kinds af aan. Op vrije momenten leerde mijn broer me lezen en schrijven.
In dat asielzoekerscentrum moesten we zitten en zitten en zitten. Ik ging Nederlands leren en boeken lezen, maar ik deed niks. Eén jaar was dat niet zo erg, maar drie jaar... Ik dacht: “Hoe gaat mijn toekomst er uit zien? Ik doe niks, ik leer niks, ik weet niet of ik mag blijven. Hoe vind ik een vrouw? Als ik in Nederland blijf moet ik een Nederlandse vrouw leren kennen.” Toen kreeg ik de toezegging van een verblijfsvergunning. De volgende dag was een prachtige dag. Ik heb de trein genomen, één station verder. Daar ben ik op een bankje gaan zitten. Toen ik een jonge vrouw zag die daar wat stond ben ik bij haar gaan staan om een praatje te maken.’ ‘Waarover?’ vraag ik. ‘Ik heb haar gevraagd of ik even met haar praten mocht en of ze getrouwd was.’ ‘Oh’, zeg ik . ‘Ze deed een beetje verlegen, toen ben ik weg gegaan en gewacht op een andere jonge vrouw. Ik heb drie praatjes gemaakt, maar het ging alle drie keer niet zo goed. Ik moet nog leren. Dat geeft niet. Ik ben in de trein gestapt en ben naar de stad gegaan. Ik heb er wat gekocht en ben op hetzelfde station als eerst weer uitgestapt, om het nog een keer te proberen. De vrouw van de eerste keer was er nog, of ze was er weer. Ze ging weg toen ik weer op het bankje ging zitten. Even later kwamen er twee politieagenten.
Ze wilden me wat vragen, zeiden ze.
Ik moest mee komen. Ik was niet bang want ik dacht dat het om een verblijfsvergunning ging en dat was bijna in orde. Maar ik werd gearresteerd. Twee van de drie vrouwen hadden geklaagd.’ ‘Heb je ze aangeraakt of tegengehouden?’ ‘Aangeraakt?’ schrikt hij en houdt beide handen boven zijn hoofd. ‘In mijn land zou dat heel erg verkeerd zijn. Ik heb niks van ze aangeraakt.’ Ken wordt veroordeeld tot precies zoveel maanden als hij op dat moment zit, plus twee weken: vier maanden. Nu is hij echt bang. Hij komt uit Angola. Zijn ouders zijn dood. Een broer woont nu legaal in Nederland, met zijn gezin. Ken is bang. Waarom? ‘Je weet toch, Angola’ zegt hij en zwijgt.
Ken moet nog een week zitten. We spreken af dat we contact houden. Maar het is de vreemdelingendienst die hem komt halen. Ken verdwijnt uit Nederland. Hij laat zijn Nederlandse bijbel achter met een briefje er in: ‘Dank voor de dominee’. Hij heeft de taal geleerd, maar hij heeft iets niet begrepen. Of wij hebben iets niet begrepen.

Jeannette Westerkamp is parttime justitiepredikant namens de NGK in Houten.
2007-2014 Persvereniging Opbouw