3 juni 1994, jaargang 38, nummer 11
Artikel 007974
Horizontalisme, Huub Oosterhuis en 'Zingend geloven' Meedoen met Liedboek-2000? (4) J. Klein Onlangs las ik een recensie van de bundel 'Zolang er mensen zijn' (100 liederen voor de eredienst van de hand van Huub Oosterhuis) waar ik van schrok. Bij het lezen vroeg ik me af of de recensent, die ik ken als een voluit orthodoxe predikant, zijn onderscheidingsvermogen aan het verliezen was. Hij gaf me de sleutel in handen toen hij verband legde tussen zijn eigen 'bevindelijke' achtergrond en de liedtaal van Oosterhuis.
Een paar dagen later werd ik, n.a.v. m'n eerste artikel in deze serie, opgebeld door een zuster die ik hoog heb om haar geestelijk onderscheidingsvermogen. Ze maakte mij attent op de lijn die er loopt van de middeleeuwse mystiek via 'dopers' christendom naar de mystiek van vandaag. Wie zich in het verleden onvoldoende heeft bewapend tegen de 'oude' mystiek, heeft een grotere vatbaarheid voor de hedendaagse mystiek. Zo kan hij onder de bekoring geraken van de 'innigheid' van veel van Oosterhuis' verzen, ook al weet hij in zijn hart dat Oosterhuis geen 'bijbelgetrouwe' christen is. Men zoekt naar 'warmte', maar aan welk vuur warmt men zich? De liederen van Oosterhuis zijn op het moment zó populair in allerlei kringen, dat ze in een Liedboek-2000 zeker goed vertegenwoordigd zullen zijn. Daarom wil ik aan zijn werk hier apart aandacht besteden. Maar ook om het feit dat in Oosterhuis' poëzie de oude mystiek en het moderne horizontalisme elkaar vinden. En om dat laatste is het mij i.v.m. Liedboek-2000 vooral te doen: horizontalisme.
Ik zal proberen het verschijnsel in een aantal penseelstreken te schetsen. Zo'n schets heeft altijd iets van een karikatuur, daar ontkom ik niet aan. Bovendien ben ik geen theoloog, daardoor heeft mijn schets iets 'primitiefs'. Ik ken de moderne theologie voornamelijk uit de (lied)poëzie. Ook gaat het me niet om "en evenwichtige recensie waarin ik het werk van de dichter zo goed mogelijk recht probeer te doen". maar om de vraag: zijn deze liederen geschikt voor de gereformeerde eredienst? Dat geldt ook van mijn bespreking van 'Zingend geloven' (zie het vorige nummer). Daardoor ben ik feller dan me lief is.


Horizontalisme
"God is liefde" leert de bijbel ons. "Liefde is God" zegt het moderne horizontalisme. "Waar mensen naar Gods geboden leven, daar heerst ook de liefde" leert de bijbel ons(1). "Waar liefde is tussen mensen, daar is God" zegt het horizontalisme (dat kan ook in buitenechtelijke liefdesrelaties, in een homorelatie en aan een avondmaalstafel die voor iedereen open is).
"Als we God liefhebben, leren we ook de broeder en de naaste liefhebben" leert de bijbel ons, "Liefde tot de naaste is liefde tot God" zegt het horizontalisme.
"Waar God in het midden is, ontstaat er gemeenschap tussen de mensen die Hem kennen" zegt de Schrift.
"Waar mensen voor elkaar bestaan, met elkaar omgaan, zal ook God ons niet ontbreken" meent Oosterhuis:

Zolang er mensen zijn op aarde,
zolang de aarde vruchten geeft,
zolang zijt Gij ons aller Vader,
wij danken U voor al wat leeft.

Zolang de mensen woorden spreken,
zolang wij voor elkaar bestaan,
zolang zult Gij ons niet ontbreken,
wij danken U in Jezus' neem(2).


"Zolang Christus de eindoverwinning nog niet heeft behaald, zal er strijd zijn tussen mensen van éénzelfde vlees en bloed, tussen vrouwenzaad en slangenzaad" zegt de Schrift. Maar Oosterhuis zingt:

Gij zijt in alles diep verscholen
in al wat leeft en zich ontvouwt.
Maar in de mensen wilt Gij wonen,
met hart en ziel aan ons getrouwd.

Heer onze Heer, hoe zijt Gij aanwezig
waar ook ter wereld mensen zijn.
Blijf
zo genadig met ons bezig
tot wij in U volkomen ziin(3).


In de bijbel is God de Heilige, die in de hemel woont en die we desondanks mogen kennen. Bij Oosterhuis ontmoet je God vooral in mensen, gaat Hij zelfs op in mensen:

Roepende stilte, verre stem,
als jij bestaat, besta in hen,
in mensen in ons midden.
Wees onbestaanbaar ongehoord,
besta in mij, onvindbaar woord
niet god die wij aanbidden.
Jij die mij kent, jij die mij boeit
ik die jou jij noem onvermoeid,
en nog niet kan vergeten,
zouden wij ik en niemand zijn
ontheemd ontkend ontroostbaar zijn
en van elkaar niet weten(4)?


Dit is een voorbeeld hoe horizontalisme en mystiek elkaar bij Oosterhuis vinden. Het is een oneerbiedige mystiek, die God naar zich toe haalt: een god die je niet aanbidt, maar die zich als het ware in jou moet 'oplossen'.
Maar ook als Oosterhuis God als 'soeverein' voorstelt, gebruikt hij oneerbiedige mystieke beelden. Soms schuwt hij onverholen sexueel beeldgebruik niet:

Hij doet met ons, Hij gaat ons in en uit.
Heeft in zijn handen onze naam geschreven.
De Heer wil ons bewonen als zijn huis,
plant als een boom in ons zijn eigen leven,
wil met ons spelen, neemt ons tot zijn bruid
en wat wij zijn, Hij heeft het ons gegeven.
Gij geeft het uw beminden in de slaap,
Gij zaait uw naam in onze diepste dromen.
Gij hebt ons zelf ontvankelijk gemaakt
zoals de regen neerdaalt in de bomen,
zoals de wind, wie weet waarheen hij gaat,
zo zult Gij uw beminden overkomen(5).


In de bundel 'Zolang er mensen zijn' (de titel spreekt boekdelen) is de teneur vooral: God vind je in mensen, in mensen die met elkaar 'communiceren':

Wie heeft zijn god verloren
en zoekt niet her en der
op aarde, in de hemel,
geen verte gaat te ver.
En wie het wordt gegeven
bespeurt hem overal
in woorden allerwegen
in mensen zonder tal(6).


Samenvattend: in het horizontalisme staat de relatie tussen mensen centraal, de relatie met God wordt daaraan ondergeschikt gemaakt en ingevuld naar menselijke behoeften en menselijke maat.

Wie is Jezus?
De bijbel leert ons dat Gods Zoon mens is geworden om in onze plaats Gods straf voor onze zonden te dragen en ons zo te verzoenen met God, wiens liefde we verspeelden. In het horizontalisme is Jezus gekomen om solidair met ons te zijn, om ons lot en onze lasten met ons mee te dragen:

Het is het Kind, dat met ons deelt
wat wij aan schuld en zorgen dragen;
de Godszoon die de wonden heelt,
de wetten draagt van de tien plagen.


Dit is een strofe uit gez. 10 van het vierde deeltje van 'Zingend geloven', de tekst is van Wonno Bleij. Van dezelfde dichter is ook het volgende vers in 'Zingend geloven' (deel 4, gez. 7):

Koning naaste, waar kom jij vandaan?
Ik kom uit de verte uit Gods goedheid aan
in het land van Juda, daar bij de Jordaan.


Koning naaste, zeg mij, wat kom jij daar doen?
In de strijd mij wagen, om het recht te doen.
Pais staat in mijn wapen, vreê in mijn blazoen.


Koning naaste, zeg mij, wat is recht?
Recht, dat zijn de woorden, eeuwenlang voorzegd;
waren ze verloren, ik breng ze terecht.


Koning naaste, voor wie kom jij dan?
Ik kom voor de kleine die niet spelen kan,
zieke en onreine, jan en alleman.


Koning naaste, waar is jouw paleis?
Needrig is mijn woning, simpel is mijn wijs,
vreugde mijn beloning, 't woord van God mijn spijs.


Koning naaste, kom, de wereld wacht,
doe het kwaad verdwijnen, liefdevol en zacht,
kom toch helder schijnen in de donkre nacht.


Huub Oosterhuis heeft onlangs gezegd dat hij nooit meer spreekt van 'Christus', maar uitsluitend nog van 'Jezus van Nazareth'. En dat is niet vreemd.
Bij Jezus van Nazareth denk je aan de man die rondwandelde in het Joodse land, die honger kende en zwakheid en die zich tenslotte machteloos aan een kruis liet nagelen. Aan de man die "in alles aan ons gelijk was, behalve in het doen van kwaad".

Gij zijt voorbijgegaan,
een vreemd bekend gezicht,
een stuk van ons bestaan,
een vriend, een spoor van licht.
Uw licht is in mijn bloed,
mijn lichaam is uw dag,
ik hoop U tegemoet
zolang ik leven mag.(7)


Zo kun je Hem naar je toe halen, in je leven incorporeren, al heb je weet van zijn 'hoge' oorsprong. Als je deze Jezus van Nazareth in zijn zwakheid en 'weerloosheid' dan ook nog identificeert met zijn Vader, dan krijg je zelfs een zwakke en weerloze God, "een God die onze broeder is"(8). Zo kan Oosterhuis de Koning van hemel en aarde als volgt toezingen:

Jij die voor alle namen wijkt
geen weg die in jouw verte reikt
geen woord kan jou aanbidden.
Jij die niet hoog verheven troont
licht dat in nacht en wolken woont
een dode in ons midden.
Jij komt, wij weten dag nòch uur
jij gaat voorbij, een dovend vuur
een stilte in de bomen.
Roepend van ver, stem van dichtbij
niet overal niet hier ben jij
niet god die wij ons dromen.


Geen veilig pad om langs te gaan
geen plek geen been om op te staan
geen rots om op te bouwen.
Geen bron die uit de rotsen breekt
geen bloed dat stuwt, geen hart dat spreekt,
geen ziel om in te schouwen.
Geen gulden regel, rond getal,
geen laatst gericht in dit heelal
onwrikbaar onbewogen.
Maar mensen die verminkt en klein
ontheemd ontkend toch mensen zijn
roepend om mededogen.


Roepende stilte, verre stem,
als jij bestaat, besta in hen,
in mensen in ons midden.
Wees onbestaanbaar ongehoord,
besta in mij, onvindbaar woord
niet god die wij aanbidden(9).


'Jezus van Nazareth' is de man die "voor alle namen wijkt" (O ja?). 'Jezus van Nazareth' (dat wordt in de laatste negen regels duidelijk) ontmoet je in medemensen, in zwakken en weerlozen, in kleinen en verminkten... en tenslotte in jezelf.
Daarom kan Oosterhuis Hem geen 'Christus' meer noemen. Over Christus worden in de Schrift zo heel veel àndere dingen gezegd. Tijdens zijn omwandeling op aarde, in ons vlees, had zijn woord, zelfs het noemen van zijn naam, al zóveel kracht en gezag dat de boze geesten ervoor weken! En als Hij uit de doden is opgestaan en zich aan de rechterhand van God heeft gezet in diens troon, dan is Hij - omdat Hij zich als een lam heeft laten slachten - de enige die de boekrol mag openen en de zeven zegels mag verbreken Hij krijgt alle macht in hemel en op aarde, voor Wie elke knie zich straks zal buigen. Hij mag straks het oordeel over alle mensen uitspreken.
Hij is de Heer van zijn gemeente. Hij is de Heer van mijn leven. Zo heel af en toe dringt daarvan iets in de liederen van Oosterhuis door (b.v. wanneer hij Fil. 2:5-11 berijmt). Maar meestal blijft Hij bij Oosterhuis de Godmens die zich kwetsbaar opstelt, die zichzelf aan de mensen in handen geeft. Bij Oosterhuis is Jezus geen 'Meester' (zo spraken zijn beste vrienden Hem aan), maar vriend: een vriend die zich geeft en geen gehoorzaamheid vraagt.

'Hierheen, Adem'
Hierheen, Adem, steek mij aan,
stuur mij uit jouw verste verte
golven van licht.


Welkom armeluisvader,
welkom opperschenker,
welkom hartenjager.

Beste tranendroger,
lieve zielsbewoner,
mijn vriend, mijn schaduw.

Even rusten voor tobbers en zwoegers,
voor krampachtigen een verademing,
ben je.

Onmogelijk mooi licht,
overstroom de afgrond van mijn hart,
jou
zo vertrouwd.
God ben jij, zonder jou
is alles nacht en ontij,
wreedheid, schuld,


maar jij maakt schoon.
Verflenst mijn bloem:
geef water, zalf mijn wonden.


Stijf sta ik, toegang verboden, ijzig.
Ontdooi mij, koester mij.
Vreemd ga ik, zoek mij.


Ik zeg ja jij, - doe nee.
Vergeld mijn twijfel met vriendschap
zeven maal duizend maal.


Niets ben ik zonder jou.
Dood wil ik naar jou toe.
Dan zal ik lachen(10).


Zo is ook de Heilige Geest het 'vriendje' van Oosterhuis geworden. Ik beklaag een generatie van jonge mensen die met dit soort gezangen opgroeien.
Zullen ze zich te pletter schrikken, als de hemel opengaat en de Zoon des mensen op de wolken verschijnt? Dat gun ik ze niet; ik zie liever dat Jezus Christus Héér is in hun leven, zodat ze nu en straks kunnen "schuilen aan zijn hart" (zie Ps. 2). Wie zichzelf voor God vernedert zal verhoogd worden. Maar Oosterhuis speelt een woordenspel met het heilige... met dé Heilige.
Ik schrijf deze dingen niet omdat ik "al mijn gereformeerde dogmatiekjes uit de kast zou hebben getrokken"(11). Het gaat me om het hart van het evangelie.
De god van Huub Oosterhuis is niet mijn God, de Jezus van het horizontalisme, niet mijn Heiland en Heer.

Bomen één kant uit
Tot een afronding is het deze keer niet gekomen. 'Horizontalisme' vraagt een wat brede bespreking: anders blijft het bij schermen met termen. In de volgende aflevering maak ik eerst m'n profielschets van het horizontalisme af (het maatschappelijk engagement zult u gemist hebben) om daarna met een alternatief voor Liedboek-2000 te komen.
Als ik ronddwaal door het bos van 'Zingend geloven', merk ik dat de meeste bomen één kant uitwijzen.
Daaraan kun je zien van welke kant de wind komt waaien: van de kant van het horizontalisme. Maar niet zo extreem als bij Oosterhuis. Geen van de hierboven geciteerde verzen van Oosterhuis is (totnogtoe) in 'Zingend geloven' opgenomen (vier ervan staan overigens wél in het Liedboek: zie de noten hieronder). De twintig liederen van zijn hand die wel in 'Zingend geloven' staan, behoren, voorzover ik dat zo snel kan natrekken, tot zijn wat 'orthodoxere' genre. Toch hoop ik dat bovenstaand verhaal ons een beetje helpt om het horizontalisme in liederen te herkennen, ook als we het tegenkomen in een minder extreme vorm dan bij Oosterhuis. Het is een tragisch misverstand dat gezangen geen invloed op ons denken zouden hebben. Het horizontalisme heeft zowiezo al vat op ons; we leven nu eenmaal in deze tijd. Gezangen die je regelmatig zingt, hebben invloed op het beeld dat je je vormt van God en van Christus. Het regelmatig zingen van horizontalistische liederen bouwt mee aan een horizontalistisch Godsbeeld, waar we als kinderen van deze tijd tóch al vatbaar voor zijn.
Wat de liederen van Huub Oosterhuis betreft: overal kom je ze tegen: in de studentenecclesiae, in katholieke (en) charismatische kringen (nee, daar kom ik niet), op interkerkelijke zangsamenkomsten zoals in de Amsterdamse Wester, op een zangavond bij de vrijgemaakten (ja, daar kom ik wel). Blijkbaar hoef je toch niet van 'bevindelijke' huize te komen om er door betoverd te raken. Waar de 'vertrouwelijke omgang' met de God van het verbond ontbreekt (of maar vluchtig is), is men vatbaar voor 'vreemd vuur'. Men grijpt vertwijfeld om zich heen naar warmte.
Aan welk vuur brandt men zich? Aan het vuur van New Age?

Noten
1 Joh. 14:21-24; 15:9-10.
2 Zolang er mensen zijn, lied 1 (Liedboek, gez. 488).
3 idem, lied 2 (:4-5).
4 idem, lied 67 (:3).
5 idem, lied 9 (:2,3) (Liedboek, gez. 487).
6 idem, lied 8 (:3,7).
7 idem, lied 42 (:3) (Liedboek, gez. 491).
8 idem, lied 27 (:2) (Liedboek, gez. 160).
9 idem, lied 67.
10 idem, lied 58. 'Zolang er mensen zijn' is een uitgave van Kok in Kampen.
11 A.F. Troost in het jongste nummer van Woordwerk (nr. 45, blz. 58).
2007-2014 Persvereniging Opbouw