25 juni 2010, jaargang 54, nummer 13
Artikel 008043
Zegenen … maar hoe en waartoe? Jan Mudde Nederlandse christenen waren helemaal niet gewend elkaar de zegen toe te spreken. Dat was iets voor de dominee en de priester. Sinds kort zegenen ook niet-ambtsdragers elkaar, zowel binnen als buiten de eredienst. Alleen, weten we eigenlijk wel wat we doen als we zegenen? En weten we wel hoe een zegen geformuleerd moet worden en wat we van een zegen mogen verwachten? Ik heb daar m’n twijfels over.

Foto Jaco Klamer.
Mijn twijfels hebben te maken met de houding waarmee christenen soms zegenen en de formuleringen die zij daarbij gebruiken.

Misverstanden
Ik krijg wel eens de indruk dat christenen denken dat door een zegen, zeker als die gepaard gaat met handoplegging, daadwerkelijk een overdracht van kracht plaatsvindt, of daadwerkelijk een kentering in iemands omstandigheden teweeg gebracht wordt. Dat spreekt uit hun lichaamshouding, hun intonatie. Nu zal ik zeker niet willen beweren dat een zegen niets teweeg brengt – straks kom ik daarop terug –, maar zeker vindt er geen overdracht van kracht plaats en evenmin wordt door het zegenen als zodanig een kentering in de omstandigheden teweeg gebracht.
Ook bepaalde formuleringen roepen vragen op. ‘Ik zegen jou/hem/haar’ is een veelgehoorde manier van spreken. Deze uitdrukking wekt – geheel onbedoeld ongetwijfeld – de indruk dat degene die zegent zelf over de zegen beschikt, in staat is die daadwerkelijk te geven.
Ook voorgangers gebruiken soms bedenkelijke formuleringen. Sommige predikanten gebruiken bij het uitspreken van een zegen niet de aanvoegende wijs (de HERE zegene u), maar de tegenwoordige tijd: ‘De HERE zegent u en behoedt u.’ Zo wordt een zegenwoord de vaststelling van een feit of van een onbetwistbare zekerheid.
Nemen we ons uitgangspunt in de Bijbel, dan kan het volgende vastgesteld worden: 1. Nooit begint een zegenspreuk of -bede in de Bijbel met het woordje ‘ik’. 2. Nooit wordt in een zegen de tegenwoordige tijd gebruikt.

Enige bron
In de bijbelse zegeningen wordt altijd de HERE expliciet of impliciet beleden als de bron van zegen. Als voorbeeld neem ik weer het Bijbelboekje Ruth. In bijna elke daarin te vinden zegen wordt de HERE genoemd: De HERE zij met jullie; De Here zegene u (Ruth 2:4); Moge de HERE je daarvoor rijkelijk belonen (Ruth 2:12). Ook als de HERE niet met zoveel woorden genoemd wordt (Gezegend de man!, Ruth 2:19), wordt wel degelijk beseft dat alleen Hij zegent. Dat geldt, zo vermoed ik, ook voor de veelgebruikte vredegroet (Sjalom lecha, eirènè soi, vrede zij u). Hiermee verklaart degene die groet de ander in eerste instantie zijn allerbeste intenties. Hij/zij wenst de ander sjalom, dat is het inbegrip van alle denkbare zegeningen. Maar al wordt de HERE God niet met zoveel woorden genoemd (dat is heus niet altijd nodig), dat alleen Hij sjalom kan schenken komt er wel in mee. Paulus’ groeten (Genade voor u en vrede van God) brengen dat expliciet tot uiting. Hoe dat ook zij, de Bijbelse zegengroeten en -spreuken zijn doortrokken van het besef dat de zegen van de HERE uitgaat. En jezelf als uitgangspunt in de zegengroet of -spreuk nemen is dan ook geheel misplaatst.

Aanvoegende wijs
Dan het gebruik van het werkwoord. Nergens gebruikt de Bijbel in een zegen de tegenwoordige tijd, zelfs in de Aäronitische zegen niet. Als in een zegen een werkwoord gebruikt wordt, is de gebruikte wijze in het Hebreeuws de zogenaamde iussivus en in het Grieks de optativus. Die drukken een sterk verlangen uit. Terecht worden de zegeningen van bijvoorbeeld Ruth 2:4 door de NBV in de aanvoegende wijs vertaald: De HERE zíj met jullie en de De HERE zégene u. Terzijde, in het Hebreeuws ontbreekt het werkwoord in de eerste zegen. Letterlijk staat er: De HERE met jullie. In het Nieuwe Testament is het ontbreken van een werkwoord regel geworden. De vredegroet van Lukas 10:5 luidt: Vrede voor dit huis en ook in Paulus’ zegengroeten ontbreekt het werkwoord. Dat is een geheel logische ontwikkeling. Veelvuldig gebruikte uitdrukkingen, zoals groeten, hebben immers altijd de neiging in te klinken. Wordt er in een Nederlandse vertaling een werkwoordsvorm ingevoegd, dan kan dat – gegeven de zegenspreuken waarin wel een werkwoord te vinden is – alleen maar de aanvoegende wijs zijn. Allicht doet zich hier het probleem voor dat die uit het hedendaagse spraakgebruik verdwenen is. Op internet kwam ik dan ook (bij herhaling!) ‘Vrede van God zei met jou’ tegen. Zo onbekend is de aanvoegende wijs geworden. Toch kunnen we er bij het uitspreken van een zegen niet om heen. Een zegening is geen mededeling van een stand van zaken, noch een garantie die je zwart op wit geeft. Dat blijkt ook uit Lukas 10:5-6 waar Jezus zegt: Als jullie een huis binnengaan, zeg dan eerst: ‘Vrede voor dit huis!’ Als er een vredelievend mens woont, zal jullie vrede met hem zijn; zo niet, dan zal die vrede bij je terugkeren. Een zegenwoord werkt niet automatisch, zo blijkt. Tegelijk is duidelijk dat een in Christus’ naam gesproken vredewoord niet ledig weerkeert, maar doet wat Hem behaagt.

Sanerend
Ik geef direct toe dat het bovenstaande een nogal technisch verhaal is, waarvan niet iedereen direct de zin zal inzien. Wel, het kan hopelijk een beetje sanerend werken nu het Bijbelse gebruik om elkaar te zegenen met een even groot als naïef enthousiasme in praktijk wordt gebracht. Van dat enthousiasme wil ik niets afdoen en nog minder wil ik het gebruik om elkaar Gods zegen toe te spreken ontmoedigen. Het lijkt me echter dringend gewenst om met elkaar helder te hebben hoe we zegenen en wat een zegen uitwerkt. De bovenstaande studie verschaft enkele aanknopingspunten die kunnen helpen dat helder te krijgen.

‘Ik ben God niet’
Dan wil ik vooropstellen, dat een zegen geen effect in zichzelf heeft. Een zegenwoord is geen magische formule, niet geladen met kracht, net zomin als het opleggen van een hand dat is. Dat blijkt uit het gebruik van de genoemde werkwoordsvormen. Daarmee wordt de uitwerking van het zegenwoord bij God gelegd. Zij die het ambt (aller gelovigen) bekleden zijn geen dragers van macht of mana, maar van volmacht (zo schrijft de vrijgemaakte oudtestamenticus prof. Ohmann ergens). De zegenwoorden worden dan ook zo gekozen dat het aan Gods welbehagen wordt overgelaten of een zegening ook de gewenste zegen tot gevolg heeft.
Vervolgens denk ik dat we onze zegenspreuken en -beden zo moeten formuleren dat volstrekt helder is dat niet wij de zegen schenken, maar alleen God. Een mens kan een zegen uitspreken en een ander tot zegen zijn, ja, een mens kan á la Boaz een ‘zegenende ziel’ zijn (Spreuken 11:25, NBG 1951), maar alleen God kan daadwerkelijk zegenen. Als Rachel tegen Jakob zegt: ‘Geef mij kinderen’, antwoordt Jakob: ‘Ik ben toch zeker God niet?’ (Genesis 30:1-2). Uitdrukkingen als ‘Ik zegen jou’ moeten we daarom vermijden. Ik proef in deze manier van spreken een zekere zelfoverschatting, noem het een doorgeslagen besef van volmacht. Ik maak in dit verband ook een aanmerking op het zegenlied van Opwekking 602. In dat verder zorgvuldig geformuleerde lied komen we de volgende zinsnede tegen: ‘In Jezus’ naam geef ik jou vrede van Hem, vrede van God’. Persoonlijk krijg ik deze woorden zo niet over mijn lippen en maak ik er altijd van ‘In Jezus’ naam zeg ik jou: ‘Vrede van Hem, vrede van God zij met jou’.

Volmacht
Maar wat is een zegen dan wel? ‘Doet’ die iets? Is het meer dan een intentieverklaring, een vrome wens? Ja, dat is het, dat kan het althans zijn. Waar mensen een koninklijk priesterschap vormen, mogen we achter de zegenende hand van een priester of een broeder, de zegenende hand van God zien. Achter de door mensen gesproken zegeningen mogen we teruggaan tot God, de Vader van alle zegen. Zijn zegen zet zich door, ondanks de vloek die Hij vanwege de zonde over aardbodem en mensheid heeft geboden. Hij draagt zijn zegen middels zijn verbond met Abram de wereld in. En in Christus bereiken al zijn zegeningen hun climax. De zegen die mensen elkaar toespreken mag een weerklank zijn van Gods zegeningen. En waar mensen leven in de sfeer van Gods goedheid en genade mogen hun zegenbeden terdege verwachtingen losmaken. Hier valt een vergelijking met de sacramenten te maken. Zoals de Here tijdens het heilig avondmaal door zijn Geest zelf wil meekomen in de tekenen van brood en wijn, zo wil de HERE zich aan menselijke zegenwoorden verbinden. Gods geliefden mogen weten dat hun zegeningen geen lukraak afgeschoten pijlen zijn, maar doeltreffende woorden, omdat ze gedragen worden door Gods beloften. Een zegen, al is die in de aanvoegende wijs geformuleerd, is dus meer dan een wens: het is als klein mensje mogen helpen uitdelen wat God in zijn goedheid aan de mensheid geven wil. Misschien mag je ook zeggen: de HERE heeft heel veel plezier in ‘zegenende zielen’ (Hij mag immers zelf ook graag zegenen) en wil zich daarom van harte aan hun zegenwoorden committeren!

Het mag duidelijk zijn dat ik er zeker niet negatief over ben dat christenen vrijmoediger dan voorheen gebruik maken van de mogelijkheid om elkaar te zegenen. Die ruimte bieden de Schriften mijns inziens, zo blijkt uit het boek Ruth. Zeker wanneer het zegenende woord gestoeld is op en een krachtige verbintenis aangaat met een zegenende levenspraktijk kan daarvan werkelijk heil uitgaan. Wel sta ik kritisch tegenover veelgebruikte formuleringen als ‘Ik zegen jou’ en dergelijke. En ronduit moeite heb ik met de overspannen sfeer van ‘Nu gaat er iets gebeuren!’ die er soms rond zegenen hangt.

Spontaan en alledaags
Ten slotte dit. De trend van dit moment is dat gemeenteleden elkaar de zegen vooral binnen een liturgische context toewensen. Er hangt een nogal sacrale sfeer omheen. Wat me echter in Ruth treft is dat de zegen ook iets heel gewoons, spontaans en alledaags is. De zegen heeft niet alleen een plek binnen rituelen of een liturgisch kader, maar vooral binnen het ‘gewone’ leven. Mensen spreken niet bij voorduur zegeningen van het kaliber Aäronitische zegen over elkaar uit, maar laten er even een kleine echo van horen, zo blijkt uit Ruth. En dat daar niet altijd expliciet de naam van de HERE bij genoemd hoeft te worden blijkt uit de vredegroet Vrede zij u. Maar de alledaagse ontmoetingen worden door dergelijke echo’s van Gods zegen wel in het kader van Gods zegenende liefde gezet. Mijn punt is dit: meer nog dan dat gemeenteleden binnen de zondagse liturgie betrokken zijn bij het zegenen (ik maak daar geen bezwaar tegen) zou het mooi zijn als juist het alledaagse leven de sfeer van Gods zegenende aanwezigheid gaat ademen. Zo wordt er een veilige ruimte gecreëerd waarin mens en dier gedijen kunnen. En dat is precies wat Gods zegen beoogt.

Drs. Jan Mudde is predikant van de NGK van Haarlem.
2007-2014 Persvereniging Opbouw