27 juli 2007, jaargang 51, nummer 15
Artikel 000811
Column Woede J. Westerkamp Op het smalle pad komen drie vrolijke meisjes me tegemoet op de fiets. Ik verwacht niet dat scholieren, druk met elkaar, voor mij aan de kant gaan. Ik heb mijn lesjes geleerd.
Achter hen probeert een grote shovel in te halen. Ze reageren in het geheel niet op hem. De chauffeur, die er toch echt langs wil - het pad is nog een heel eind - doet een poging. Een enorme rupsband gaat van het pad af, over het gras tussen pad en sloot. Het hele gevaarte helt griezelig over naar de sloot. De chauffeur kijkt gespannen, maar houdt de vaart er in en krijgt het voertuig, om de meisjes heen, weer op het rechte pad. Ik ben inmiddels van de fiets gesprongen, doe zelfs een stapje terug, want met drie meisjes en een shovel rest mij enkel nog de sloot. Chauffeur en ik knikken elkaar toe van ‘dat ging maar net’. De meisjes doen of ze niets merken. Ik stap weer op mijn fiets en passeer ze nu op het randje van het pad. Net voor ik voorbij zal gaan kijkt een meisje me aan, een ware schoonheid, ze tuit haar lippen tot een kus en smakt naar me. Maar haar ogen kijken hooghartig, brutaal, lelijk. ‘Kiss my ass’, dat moet ik er bij denken. Zeker uit een of andere film. Ik voel mijn bloed koken. Ik had een klap in dat brutale mooie snoetje willen geven. Ondertussen fiets ik zonder omkijken verder. Alleen met mijn agressie. Waarom sloeg ik eigenlijk niet? Waarom zei ik die dames niet duidelijk de waarheid? Was ik bang voor ze? Heeft dit iets met ‘de andere wang’ te maken?

In de gevangenis komt in de gespreksgroep agressie ter sprake. Vic is net door het lint gegaan toen iemand voordrong bij de telefoon. Hij is zo woest dat het feit dat ik met hem sta te praten en hem probeer te sussen geen verschil maakt. Er moeten twee bewakers aan te pas komen om hem te kalmeren. Daarna schaamt hij zich verschrikkelijk en weet niet hoe hij me aan moet kijken bij de gespreksgroep.
Psalm 139 ligt klaar. ‘Laten we het maar over woede hebben.’ Vic weet echt niet wat hij er tegen moet doen, zegt hij, hij barst gewoon uit. De anderen herkennen het allemaal, zeggen ze ernstig. ‘Ik kwam huilend thuis toen ik gepest en geslagen was’, zegt Jan. ‘Ik was een jaar of zeven.
Mijn vader greep me bij de arm en riep: “En je gaat nu terug en je geeft hem een pak rammel, of ik sla je verrot.” Ik ben snikkend terug gerend . Ik ben nooit meer geplaagd.’ ‘Ik werd overal gepest’, zegt Vic. ‘Ik ben van een andere vader dan mijn drie broers. Ik ben de oudste. Ze haatten me. Op school was het ook een ramp. Toen ben ik gaan trainen - ik was vijftien - en slaan. Ik hielp mijn broers als ze problemen hadden. Ineens werden we vrienden.’ ‘Zijn jullie echt geplaagd?!’ roept Mari, de jongste van het stel. Hij brult van het lachen. Opgelucht klinkt het. Als hij uitgelachen is zegt hij: ’Ik ook, op school. Ik spijbelde veel. Als ik thuis kwam kreeg ik slaag van mijn moeder. Er was altijd wel wat. Ik ben op straat gaan lopen. Daar heb ik leren vechten. Niemand lacht meer om mij.’ Ondertussen heeft Jason de psalm gelezen die ik heb klaargelegd. Psalm 139. ‘Mooi!’ zegt hij. ‘Wat een kwaad eind zeg. Ik snap het wel: Laat God de boosdoeners doden! Hij is zo soft.’ Ik kijk hem verbaasd aan. ‘U denkt er anders over hè?’ zegt Jan begrijpend. ‘U kon zeker goed leren. U werd zeker niet gepest.’

Jeannette Westerkamp is parttime justitiepredikant namens de NGK in Houten.
2007-2014 Persvereniging Opbouw