14 februari 1992, jaargang 36, nummer 4
Artikel 008581
Toespraak bij de begrafenis van Dirk Willem Lodewijk Milo, op vrijdag 31 januari 1992 te Nunspeet D.W.L. Milo H. de Jong Hooggeachte familie Milo, verdere verwanten, vrienden en bekenden,

Het belangrijkste dat we vandaag op deze plaats en bij deze gelegenheid kunnen zeggen (en wat ik dan ook met grote vreugde doe) is dat we een kind des Heren ter aarde bestellen, iemand van wie de Heiland der wereld gezegd heeft: "Niemand zal hem uit mijn hand rukken" (Johannes 10:28). Het is precies dit grote en beslissende dat mijn taak van dit ogenblik licht, toch licht maakt. Want u mag wel weten dat ik tegen het mede leiding geven aan deze begrafenis een beetje heb opgezien.
Mijnheer Milo was immers een zeer aparte en je vrees is dan dat je met wat je zegt aan dat bijzondere van juist deze mens geen recht zult doen. Nu, ik heb het gevoel dat nadat dit heerlijke is vastgesteld het eigenlijk niet meer fout kan gaan. Het belangrijkste zijn we nu in ieder geval niet vergeten. Het is dit dat God zijn eigen geliefde Zoon ook voor onze broeder in de wereld gezonden heeft om hem van zonde en dood te verlossen. Daarom danken wij op dit uur voorop onze Middelaar dat Hij dit voor DIRK WILLEM LODEWIJK MILO, zoals voor ons allemaal, heeft willen doen. En wij zeggen uit de grond van ons hart: Lof zij U, Christus de Heer!

"Tachtig jaar? Was meneer Milo al zo oud?" Deze reaktie heb ik een en andermaal gehoord bij het doorvertellen van zijn overlijdensbericht. Dick Milo had zolang we hem hebben gekend een bijzonder jeugdig voorkomen en maakte tot het laatste toe een zeer krachtige indruk op ons allemaal. Persoonlijk kan ik het beeld maar niet kwijt raken van hoe hij ook nog op de laatste Opbouw-jaarvergadering, nadat hij de schare bij het zingen punt-gaaf had begeleid, zijn lichaam met een lenige zwaai van de orgel bank op de grond deed neerkomen. Lang mocht hij zijn lichaamskracht behouden. Ook geestelijk bleef hij trouwens jong, om niet te zeggen kinderlijk. Kinderlijk-gevoelig was hij te bezeren, zoals hij ook kinderlijk-gevoelig op kompliment jes reageerde. En zo charmant als hij je ergens voor kon bedanken! Zijn gedrag had daarin wel iets van een eenzaam mens - al had hij het altijd over zijn vrienden.

Meneer Milo heeft tot het laatst toe met het gereformeerde leven enigszins op gespannen voet gestaan. Ik heb wel eens gedacht dat hij op dit punt aan een geestelijke klaustrofobie leed, een ingeslotenheidsvrees. Steeds beklopte hij de wanden van zijn geestelijke huis om te zien waar hij eruit kon en hij brak ook wel eens door in bizarre richtingen.
Maar was hij dan buiten dan werd hij geweldig gereformeerd. Wie hem 'binnen' wel eens met een scheef oog aankeek had hem eigenlijk ook 'buiten' moeten meemaken. 'Binnen' werd hij gewond en wondde hij ook zelf. 'Buiten' was hij de belijder die royaal uitkwam voor zijn gereformeerde geloof. Dat hij vóór zijn sterven opdracht gaf om in dit publieke samenzijn Zondag 1 van de oude Heidelberger te laten deklameren om zo in zeggen: voor aller oor, is van dit laatste een prachtig blijk. Maar ik geef er nog een. Ik denk nu aan wat hij in 1991 in het jubileum-nummer van 'Organist & Eredienst' schreef, het orgaan van de Gereformeerde Organistenvereniging waarvan hij één der geestelijke vaders was. Hij had het daarin over zijn medestrijder de heer Van der Paauw die als boekdrukker genoemd blad voordelig kon verzorgen.
Het gaat me nu om dit citaat: "Hoewel miniem van omvang gaf O&E onze leden waardevolle wenken, leidde een beginnende discussie, opende perspectieven en bouwde aan een verenigingskarakter. Niettemin gaf één der groten in de orgelwereld aan onze O&E-mensen eens de naam van Ossen en Ezels. Dat was niet netjes, maar ook geen dodelijke blaam: gezegde dieren hebben de Heiland e.erder gezien dan de groten uit de muziekwereld, denk ik". Dit woord toont verwantschap met Schilders scherpe uitval, ooit, naar de 'kultuur-slampampers van de overkant'.
Hoewel Milo de toon milder en humoristischer zette was hij met Schilder inderdaad verenigd in diens keuze om - zoals de Brief aan de Hebreeën (11:25) dat zegt - liever met Gods volk kwalijk behandeld te worden dan de eer van 'Egypte' te zoeken. Terwijl dat laatste voor hem binnen handbereik lag want juist op het gebied van de muziek had hij, erudiete autodidakt die hij was, grote gaven. Maar nee, tegenover de groten der wereld wist hij zich een lid van het vrome volk. "In de tegenwoordigheid der goden zal ik U psalmzingen" (Psalm 138:1).

Ja, de Milo van 'Zangers en Speellieden'. De Milo die waakte over de stijl en de kwaliteit van de gemeentezang.
Milo die toen een dominee hem voor de paasdienst Psalm 100 opgaf onder het beding: "en dan op de vrolijke wijs van 'Daar juicht een toon'!", met sukses een tegenvoorstel deed om dan toch maar liever de feestelijke melodie van Psalm 134 te nemen. Want met Johannes de Heer was hij wel in het geloof maar niet in de toonkunst verbonden.
Wat kon hij over zulke zaken fijn en gelovig schrijven! Zoals duidelijk wordt uit deze kenmerkende zin van hem die hij in dit verband voor Opbouw neerpende: "En dan: is het lied voor óns goed genoeg - de vraag blijft of het voor God de Heere goed genoeg is".
Wat verhoogt de eer van de Heer? - dat was zijn kriterium. Dienstbaar te zijn aan de lof van de gemeente, "dat heb ik het mooiste gevonden dat ik heb mogen doen", zei hij op zijn uiterste.
Voortdurend heeft hem het woord van de grote Bach voor de geest gestaan: "Hälte immer in deinem Herzen fest dasz du auf der Orgel ein Diener Gottes seist". Het woord uit de Schriftlezing, "En wat hebt gij dat gij niet ontvangen hebt?", moet volgens zijn eigen aanwijzing dan ook met de gemeentezang in verband worden gebracht. Milo heeft er ons mee willen voorhouden dat omdat alles geschenk is, wij Gode tot de lof verplicht zijn. Je zou dat de boodschap van zijn leven kunnen noemen.

Lange jaren heb ik onze broeder Milo meegemaakt in de redaktie van het blad Opbouw, met welke krant hij sedert de oprichting verbonden was en waarin hij al die jaren bijna wekelijks schreef. Het was wel vanuit die relatie dat hij mij kort vóór zijn dood vroeg of ik een werkzaam aandeel in zijn uitvaartdienst wilde nemen. Natuurlijk kan ik het niet laten hem ook in deze hoedanigheid van schrijver te typeren. Waar ik dan vooral aandacht voor wil vragen is de breedheid van zijn belangstelling en de geschakeerdheid van zijn palet.
Waar heeft hij eigenlijk niet over geschreven?
Het Koningen-verhaal van de bijbel vertelt van Salomo dat hij sprak over de bomen, van de ceder op de Libanon af tot de hysop toe die aan de muur uitschiet, over het vee, het gevogelte, het kruipend gedierte en de vissen (zie I Koningen 4 : 33). De diversiteit van Milo's onderwerpen benaderde dit beeld. En steeds die sierlijke stijl van hem die hem tot zo'n onderhoudend causeur maakte! Hij wist hoe hij een pen vast moest houden. En als je hem sprak was het of je hem las. Ik heb het verder nooit vreemd gevonden dat hij een tijd lang op Europa's grootste eiland gewoond heeft. Zijn geamuseerde beschouwelijkheid had die afstand nodig. Ik denk dat wij in Opbouw geen kans zullen zien hem echt te vervangen.
In geen van de geestverwante bladen kwam zijn soort voor. En nu hebben wij hem ook niet meer.

Wij begraven vandaag een begenadigd kind van God. Begenadigd in tweeërlei zin. Begenadigd door de natuur en begenadigd door de genade. De eerste begenadiging verheft ons, de tweede verheft ons nog meer - maar door de verootmoediging heen, zodat we ertegen bestand zijn. Moge het ons allen gegeven zijn dat we met de begenadiging die we van Schepperswege ontvangen hebben ons uitstrekken naar de begenadiging door Christus. Mevrouw Milo en kinderen, u hebt een bijzonder en kunstzinnig mens tot man en vader gehad. Dat was geen geringe gave. Het zal ook wel geen kleine opgave geweest zijn. Ergens treedt u vandaag uit zijn schaduw naar voren. Moge het licht u niet enkel pijn doen aan de ogen. Wil bedenken en geloven, zuster Milo, dat de Hemelse Vader ook voor de levensfase die nu voor u is ingetreden zijn beloften gegeven heeft en die ook trouw nakomt. En wat jullie kinderen en kleinkinderen van Dick Milo betreft, moge het jullie goed doen en als een kostbare herinnering met jullie meegaan dat hier vandaag op een christelijk-dankbare wijze over (groot)-Vader gesproken is. Volg zijn geloof na.
En denk aan Moeder die eenzaam achterblijft.
2007-2014 Persvereniging Opbouw