5 februari 2010, jaargang 54, nummer 3
Artikel 008951
Overwegingen bij het eerste hoofdstuk van de Bijbel (3) Schepping op het ritme van de week Jaap Dekker Begin vorig jaar heeft Andries Knevel voor de nodige ophef gezorgd. Op een wat ongelukkige en later door hemzelf betreurde manier verklaarde hij dat hij niet meer kon geloven dat de schepping in zes dagen van vierentwintig uur had plaatsgevonden. Hij sprak er zijn spijt over uit dat hij de mensen wel op dit spoor was voorgegaan. Een storm van kritiek was het gevolg.

Als rustdag is de zevende dag de kroon op Gods scheppingswerk. (Afbeelding van Anneke Kaai: ‘God rustte op de zevende dag’)
Inmiddels is het stof al lang weer gedaald, maar wat je wat vaker ziet gebeuren als het over deze dingen gaat, is dat discussies over schepping en evolutie onder christenen nogal eens versimpeld worden tot de vraag of iemand nog in een schepping in zes dagen kan geloven. Zo ja, dan mag iemand zichzelf een orthodox christen noemen. Zo nee, dan word je niet meer als bijbelgetrouw gezien.

Sjibbolet
Vaak wordt daaraan nog de vrees toegevoegd dat iemand die niet meer in die zes dagen gelooft, ook het geloof in Jezus’ opstanding wel zal kwijtraken. De zes dagen van Genesis 1 zijn zo een sjibbolet geworden, waaraan orthodoxe christenen de rechtzinnigheid van hun medechristenen afmeten. Maar de vraag waarom het gaat is natuurlijk niet of God dat al of niet zou kunnen, in zes dagen een hemel en aarde scheppen.
Daar zullen christenen die in de werkelijkheid van Jezus’ opstanding geloven doorgaans niet aan twijfelen.
De vraag is of het de belangrijkste boodschap van Genesis 1 is, dat God het in precies zes dagen heeft gedaan.
De kernvraag is veeleer: hoe lezen we Genesis 1?

Scheppingsballade
Het lastige bij de uitleg van Genesis 1 is, dat de stijl en opbouw van dit hoofdstuk zo uniek zijn, dat het moeilijk is om het genre te bepalen.
Vanaf vers 3 worden vooral narratieve werkwoordsvormen gebruikt.
Daarmee wekt Genesis 1 de indruk van een verhaal. Toch is het is ook weer niet zomaar een verhaal. De bijzondere structuur van dit hoofdstuk en de herhaling van bepaalde zinswendingen geven het geheel iets poëtisch.
Het is van zichzelf geen poëzie zoals je die in de Psalmen tegenkomt, met de zo karakteristieke parallellismen en bijbehoren stijlfiguren. Maar het is ook geen verhalend proza zoals je dat in Samuël en Koningen tegenkomt.
Het is een meer verheven vorm van proza. De aanduiding van Genesis 1 als scheppingshymne is inmiddels vrij gangbaar geworden. Bij Willem Barnard kwam ik echter de mooie aanduiding ‘scheppingsballade’ tegen en daar ben ik wel van gecharmeerd, omdat zowel het poëtische als ook het verhalende element in deze aanduiding zijn meegenomen.
In elk geval wekt Genesis 1 niet de indruk een exact historisch verslag te zijn. Daarvoor zitten er teveel niet in een chronologie inpasbare elementen in. Het is meer verkondiging dan beschrijving, zoals dat overigens ook van het boek Openbaring geldt. Genesis 1 wil ons iets over de schepping verkondigen, maar lijkt niet geschreven om ons over het preciese hoe van de schepping te informeren.

Dagen zijn dagen
Ook veel orthodoxe bijbeluitleggers stemmen hier doorgaans wel mee in en zien het verkondigende element in de manier waarop bijvoorbeeld over de zon, maan en sterren wordt gesproken.
Terwijl deze hemellichamen alom als goden werden vereerd, laat Genesis 1 de schepping van het licht aan hun schepping voorafgaan, noemt zelfs hun namen niet en geeft ze enkel een dienende taak. Toch wordt in de orthodoxie aan het patroon van de zes dagen als een letterlijk-historisch gegeven vaak angstvallig vastgehouden. In zoverre ben ik het met dit letterlijk lezen ook wel eens, dat je van die scheppingsdagen geen perioden van miljoenen jaren kunt maken in een poging om Genesis 1 met de evolutietheorie te verbinden. Die zes dagen zijn hier echt dagen, zoals wij die ook vandaag nog kennen, met een avond en een morgen, of omgekeerd. Het is ondenkbaar dat een Israëliet bij het lezen van Genesis 1 aan iets anders gedacht kan hebben. Wel is het een legitieme vraag welke boodschap Genesis 1 met het noemen van die zes dagen wil communiceren. Dat kon best eens een andere boodschap zijn dan wij vaak denken.

Structuur
Dat de scheppingsballade van Genesis 1 bewust op het ritme van de week geschreven is, kun je onder andere hieraan zien, dat er eigenlijk acht scheppingsdaden verteld worden, maar dat de schrijver zijn best heeft gedaan om deze toch zo goed mogelijk over precies zes dagen te verdelen.
De derde en zesde dag hebben daarom elk twee scheppingsdaden gekregen.
Dan wordt tweemaal verteld dat God sprak dat er iets moest ontstaan en dat Hij zag dat het goed was.
Zoals bekend kun je die zes scheppingsdagen ook precies in twee rijen verdelen, waarbij de dagen van de tweede rij aansluiten bij die van de eerste. In de eerste drie dagen heeft God als het ware het decor neergezet.
In de tweede reeks van drie dagen heeft Hij alle spelers hun plaats gegeven.
Als rustdag is de zevende dag de kroon op Gods scheppingswerk. Die mooie structuur die de schrijver aan Genesis 1 gegeven heeft, is op zich al een uiting van verwondering over de samenhang die de schepping ook zelf vertoont.(1) In dit verband wordt vaak gewezen op de rol die de getallen 10 en 7 spelen. Tienmaal wordt gezegd dat God spreekt. Sommigen zien hierin een bewuste zinspeling op de Dekaloog. Zevenmaal staat er dat God zag dat het goed was. Opvallend is ook dat Genesis 1:1-2:4 precies zevenmaal gebruik maakt van het werkwoord ‘scheppen’.

Schepping en tabernakel
Belangrijker dan deze waarnemingen zijn echter de relaties die er tussen dit scheppingsverhaal en het verhaal van de tabernakelbouw blijken te bestaan.
Allereerst noem ik het moment dat Mozes op de Sinaï is. Exodus 24:16 vertelt dat de heerlijkheid van de Heer op de berg rustte en de wolk hem zes dagen lang bedekte. Op de zevende dag roept God tot Mozes vanuit de wolk. Ook hier zie je het patroon van 6 + 1 dag, waarbij pas op de zevende dag de ontmoeting met God tot stand komt en Mozes de wolk binnengaat.
Mozes ontvangt dan de bouwinstructies voor de tabernakel.
Vervolgens gaat hij daarmee aan de slag. In Exodus 39:32 volgt dan de constatering dat alle arbeid aan de tabernakel voltooid was en dat de Israëlieten het werk hadden verricht overeenkomstig alles wat de Heer Mozes geboden had. Dat doet al enigszins denken aan wat er na de laatste scheppingsdag in Genesis 2:1-3 gezegd wordt. Als in Exodus 39:43 dan gezegd wordt, dat Mozes zag wat de Israëlieten gemaakt hadden en hen zegende, kun je ook daarin de klanken van het scheppingsverhaal uit Genesis 1 beluisteren. Mozes besluit het bouwen van het heiligdom op een soortgelijke manier als God de schepping van de wereld besluit. Er kan in dit verband nog meer genoemd worden.
De bouwinstructies voor de ta- bernakel worden in Exodus 31:12-17 met een herhaling van het sabbatsgebod afgesloten. Daarbij wordt expliciet verwezen naar het gegeven uit Genesis 1 dat de Heer de hemel en de aarde in zes dagen geschapen heeft en op de zevende dag heeft gerust om adem te scheppen. De bouwinstructies die Mozes vanaf Exodus 25 voor de tabernakel krijgt, zijn bovendien uit precies zeven godsspraken opgebouwd. Zo liggen er allerlei verbanden tussen het verhaal over hoe de aarde en het verhaal over hoe de tabernakel tot de stand komt.

Tempel en schepping
Deze verbanden zijn niet zo toevallig als ze eerst nog kunnen lijken. Tempel en schepping waren in het Oude Nabije Oosten sowieso met elkaar verbonden.(2) Aan tempels werd vaak een kosmische betekenis toegeschreven.
Ze golden als een afspiegeling van de kosmos. Niet zelden kwam dat ook in de architectuur tot uitdrukking. Men veronderstelde wel dat op de plaats van de tempel de schepping had plaatsgevonden en de chaos voor het eerst verbannen was. In de mythologie kon de bouw van een tempel daarom geïdentificeerd worden met het moment van de grondvesting van de aarde. Deze gedachte werd soms ook in de naamgeving tot uitdrukking gebracht.
De tempeltoren van Marduk in Babel heette ‘huis der grondvesting van hemel en aarde’. Daarmee kreeg de tempelcultus gelijk ook een belangrijke betekenis. De voortgang van de cultus moest de scheppingsorde garanderen.
Handhaving van de orde in de wereld is waarschijnlijk ook één van de redenen dat in een Kanaänitische tekst beschreven wordt dat ook Baäl na zijn overwinning op het zeemonster een eigen tempel nodig heeft. Het zijn de andere goden die voor Baäl een huis bouwen, in precies zeven dagen! Het getal 7 zinspeelt er in dit verband op dat het om een woning voor een godheid gaat. Opmerkelijk genoeg kom je dat getal 7 ook bij de bouw van Salomo’s tempel weer tegen. Salomo bouwde de tempel niet in zeven dagen natuurlijk, want dat kunnen alleen de goden. Hij besteedde er wel precies zeven jaar aan… (1 Koningen 6:38)

Gods koninklijk domein
Met al deze gegevens gaan we nu weer terug naar de scheppingsdagen van Genesis 1. De voltooiing van de schepping wordt precies op de zevende dag geconstateerd. Daaraan kun je zien – en dat is een belangrijke boodschap die Genesis 1 met het patroon van die 6 + 1 = 7 dagen wil communiceren – dat God de hemel en de aarde niet zonder doel geschapen heeft. Evolutionisten veronderstellen dat heel deze werkelijkheid het product van louter toeval is. Die 6 + 1 = 7 dagen van Genesis 1 vertellen ons dat God de schepping als zijn woonplaats heeft bedoeld, de aarde als zijn koninklijk domein (vgl. Psalm 24:1 LvdK). Ook toen de aarde in de greep van de zonde was gekomen, heeft God daaraan vastgehouden, al moest hij daar in de tabernakel en later in de tempel wel een speciale voorziening voor treffen. Gods scheppingsdoel is dat Hij woning wil maken onder de mensen (vgl. Openbaring 21:3). Vanwege de relatie tussen schepping en tempel kun je ook zeggen dat de schepping op het dienen van God is aangelegd. De schepping is ertoe bestemd om Gods koningschap zichtbaar te maken en Hem te eren. Ook wij mensen komen in het dienen van God pas tot ons doel, en de hoogste dienst aan God is de lofprijzing. De schepping van hemel en aarde in zes dagen, uitlopend op de sabbat van de zevende dag, maakt heel deze aarde tot plaats van Gods lof. Van Ruler heeft dat eens heel scherp onder woorden gebracht, toen hij zei dat een mens die aan de lofprijzing niet toekomt, in feite zijn positie en waardigheid als mens verliest. Zo iemand leeft niet echt meer. Hij vegeteert alleen nog maar, zoals de koeien in het weiland grazen. Hij houdt op ten volle mens te zijn.(3)

Rechtzinnigheid
Dus, wanneer wij de zes dagen van Genesis 1 zouden willen gebruiken om daarmee elkaars rechtzinnigheid af te meten, laat het dan niet de vraag zijn of iemand wel of niet gelooft dat die zes dagen letterlijk genomen moeten worden, maar de vraag of iemand aan het dienen van God en aan de lofprijzing toekomt in zijn leven. Alleen als je daaraan toekomt, mag je jezelf een bijbelgetrouw en orthodox christen noemen. Want in zes dagen heeft de Heer de hemel en de aarde gemaakt...

Dr. Jaap Dekker is predikant van de NGK Enschede en docent Bijbelvakken aan de Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding.

Voetnoten
1 Vgl. S. Paas, ‘Schepping en historiciteit’, Wapenveld 51/5 (2001), blz. 4-14, te downloaden via http://www.wapenveldonline.nl/viewArt.php?art=424.
2 Zie hierover ook J. Dekker, ‘De grondvesting van de aarde. Schepping en geschiedenis in het boek Jesaja’. In: Het stralend teken. 60 jaar exegetische vergezichten van dr. D. Holwerda, Franeker 2010, blz. 28-45.
3 A.A. van Ruler, Waarom zou ik naar de kerk gaan? Nijkerk z.j., blz. 42.
2007-2014 Persvereniging Opbouw