4 januari 2008, jaargang 52, nummer 1
Artikel 000918
Column Over Kerst en Pasen J. Westerkamp Eens in de twee weken vieren we ‘s avonds kerkdienst in een jeugdinrichting voor jongeren tussen de 12 en 18 jaar. Buiten hekken, zware deuren, bewakers, camera’s en beveiligingsmensen om de jongeren binnen en allerlei gevaren buiten te houden. Twintig meisjes in het stiltecentrum. Aan het eind van de dienst staan ze allemaal op en wensen ze elkaar de vrede van Christus. Met een hand, een omhelzing, een kus. Ik steek mijn hand uit naar een donker-ogige schoonheid. Als door een wesp gestoken doet ze haar hand achter de rug. ‘Ik heb de vrede van Christus niet. U weet toch: ik ben moslim.’ ‘Maar ik heb de vrede van Christus wel’, zeg ik.
‘Wil je?’ Ik houd mijn hand uitgestoken. Ze lacht en omhelst me.

Anna vraagt of ik haar later in de week wil oproepen voor een gesprekje. Een paar dagen later haal ik haar op van haar leefgroep .Ze is veertien en opvallend klein en popperig, met een lief rond gezichtje met grote ogen en golvend blond haar. Klein, maar de proporties van een vrouw.
‘Het is bijna kerst’, zegt Anne. ‘Veel meisjes gaan met verlof. Ik zit nog gesloten. Maar het is toch niet normaal dat je met kerst niet naar je ouders mag? Nou is kerst voor hen verpest en voor mij ook. En voor mijn oma en voor mijn broer en voor…’ ‘Was je vorig jaar kerst thuis?’, vraag ik. ‘Ja, toen is het begonnen. We waren allemaal thuis en toen kwam de ex van mijn stiefvader aan de deur. Ze was ladderzat. Ik deed de deur open en mijn moeder stond erbij. De ex wilde binnenstappen, maar mijn moeder gaf haar een duw en ze tolde zo het trappenhuis in. Mijn stiefvader, die iets zag gebeuren, vloog erop af, maar rende tegen de deur. Hij was ook dronken. De politie kwam vervolgens, omdat iemand de politie had gebeld. Toen de politie mijn moeder wilde oppakken, ben ik ze aangevlogen en ik heb één agent tegen de grond getrapt en een andere gebeten - ja, als ik kwaad wordt ben ik sterk hoor - maar ze kregen ons er toch onder. Daarna zaten ik en mijn moeder in de cel en mijn vader en de ex in het ziekenhuis.’ Ze haalt adem.
‘Zo’, zeg ik, ‘en wie ruimde de rommel op?’ ’Oma’, zegt ze zonder nadenken. ‘Toen kwam jeugdzorg en een voogd en nu zit ik hier. Het wordt een verpeste kerst. Je moet toch gezellig bij je familie zijn?’ ‘Ga je ook naar de kerk als je thuis bent?’ vraag ik. Ze schudt haar hoofd, bedachtzaam. ‘Eén keer ben ik geweest. Vorig jaar toen het Pasen was. Ik was net uit de prostitutie. Ik ben maar heel even geweest hoor, door een vriend. U weet dat wel hè? We zouden samen op vakantie maar nu zit hij vast... Het was Pasen en bij ons staan allemaal kerken die bellen. Ik dacht: “Wat is Pasen? Wat doen ze in de kerk?” Ik heb me aangekleed en ben naar de kerk gegaan. Ik ging in een hoekje zitten en niemand zei er wat van. Het was rustig. Ik wist niet dat het zo rustig kon zijn. Toen iedereen weg ging, was ik er nog. Er was een meneer, die zei: “Ik ben nog een half uurtje bezig. Blijf zolang maar lekker zitten, hoor.” Het was zo rustig en zo rustig is het hier in de kerk ook, maar toch is het heel anders.’

We zwijgen even. ‘Weet je nu wat Pasen is?’ vraag ik. Ze kijkt me met grote ogen aan: ‘Dat alles goed komt, toch?’
2007-2014 Persvereniging Opbouw